Water uit de Rots (Exodus 17)

(lezen: Exodus 17:1-7; 1 Korintiërs 10:1-13; luisterlied: Faithful One – Brian Doerksen)

 De Israëlieten hebben de bevrijding uit Egypte nog maar net achter zich liggen. Het daverende bevrijdingsfeest dat zij vierden op de oevers van de Rode Zee klinkt nog na. En met opgewekte tred en een goed humeur trekt de karavaan de woestijn in. Maar de Israëlieten staan wat geloof betreft nog in hun kinderschoenen. Ze zijn zich nog nauwelijks bewust van de lengte van de reis en van de ontberingen die zij zullen moeten doormaken. En dat woestijnleven valt nog niet meteen mee.

Leven in de woestijn is een leven na de bevrijding maar tegelijk ook een leven voor de vervulling. En de bevrijding lijkt onvolkomen en de vervulling een luchtspiegeling, een fata morgana. Er zijn grote beloften over hen uitgesproken maar wie kan nu leven van woorden alleen? Er is hoop verkondigd, maar de horizon blijft maar verdwijnen achter steeds terugkerende zandstormen. Vertrouwen op God loopt dan gemakkelijk uit  op verzet en bitterheid, op gemopper en gemurmureer. Geloof erodeert, hoop vervluchtigt en de liefde vervlakt.

Te midden daarvan blijft God toch trouw  aan de belofte die Hij heeft gedaan: Ik zal er zijn. Er wordt gegeten en gedronken maar de bronnen zijn van korte duur. Er wordt heling geschonken terwijl de pijn niet stopt. Er zijn soms oases met waterfonteinen en palmbomen maar ze liggen wel midden in de woestijn. En vroeg of laat blazen de wolkenwachters weer appél: zegt de kinderen van Israël dat ze voorttrekken. En dan wacht weer de weg in de wildernis.

En in die wildernis blijkt het nog niet zo eenvoudig om Egypte echt achter je te laten. Er zit in iedere Israëliet iets van een slaaf, een bang mens. Iets in hen durft niet echt te geloven, gaat eigenlijk liever terug. Dat deel van hen uit zich al snel in klagen, mopperen en murmureren. Hun leider Mozes heeft de handen vol aan hen. En als ze uiteindelijk bij Refidim de zoveelste opstand beleven weet hij het ook niet meer en roept hij ten einde raad: Heer, wat moet ik met dit volk beginnen?

Het is voor ons gemakkelijk om vanuit een comfortabele leunstoel een oordeel te vellen over deze zanikende, zeurende ontevreden Israëlieten. Maar zouden wij het er veel beter hebben afgebracht. Hun omstandigheden als slaven in Egypte en als bevrijd volk in de woestijn zijn extreem zwaar en de enige kans op overleven ligt in volledig vertrouwen op God. En als de Bijbel iets zichtbaar maakt is het wel dit. Dat zelfs de meest godvrezende persoon dit vertrouwen maar heel moeilijk kan opbrengen.

Als lezer van deze woestijnverhalen vraag je je af. Waarom worden deze Israëlieten zo op de proef gesteld? Wat wil God hier nu mee bereiken? Het eerste antwoord op deze vraag geeft Mozes bij de Sinaï in Exodus 20,20: ‘Wees niet bang, God is gekomen om u op de proef te stellen en u met ontzag voor hem te vervullen, zodat u niet meer zondigt. God test mensen niet voor zichzelf of om te bepalen of wij zijn liefde en zorg wel waard zijn. God gebruikt alles wat de Israëlieten meemaken om hen te laten ontdekken wie God voor hen wil zijn. Dat ze zullen ervaren hoe Hij zijn naam waarmaakt. Ik zal er zijn, zelfs en juist in je gebrokenheid, je onvermogen, je angsten, te conflicten etc. Als jij mens door het leven gaat samen met mij, dan leer je mij kennen en wordt onze band sterker.

Er is nog een tweede antwoord  op de vraag waarom God ons toetst en beproeft. Op de grens van het beloofde land herinnert Mozes het volk aan de weg van de beproevingen, waarop God hen heeft gebracht en zegt dan: ook moet u heel de weg in gedachten houden waarop de HEERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft, opdat Hij u zou verootmoedigen, en u op de proef zou stellen om te weten wat er in uw hart was,

Het leven in de wildernis de woestijn maakt zichtbaar wie wij mensen van onszelf zijn, hoe flinterdun ons vertrouwen. Hoe ontstellend kort van geheugen we zijn. Hoe klein van vertrouwen en hoe snel geprikkeld. Wie we van onszelf, van huis uit zijn. Een kort lontje, een snel oordeel. Mensen die snel jaloers zijn of ontevreden. Op de leerschool van het leven in de wildernis zijn het juist de ontberingen, de moeilijkheden en de verleidingen, die iets zichtbaar maken van wat in de kiem al die tijd al leefde in het menselijke hart aan trots, eigenwijsheid, hebzucht, jaloezie, achterdocht etc. God weet al lang wat er in onze harten leeft. Maar hij wil het onszelf laten ontdekken. Hij wil dat wij er tegenaan lopen, het in de ogen kijken en ons realiseren dat wij in de kern en van onszelf zo goed, gelovig, gehoorzaam en godvruchtig niet zijn. Pas wanneer we dat echt weten, kan hij ons gaan vormen en kneden tot mensen die hun rust en kracht buiten zichzelf zoeken in Gods goedheid, genade en trouw.

En één van die ontmaskeringsplekken komen we hier tegen in Exodus 17. Wat hier plaatsvindt is meer dan zomaar wat gemopper in de marge. Mozes geeft deze plaats een dubbele naam: Massa en Meriba, ‘Massa’ betekent ‘verzoeking’; ‘Meriba’ betekent ‘twist’. Het is niet zomaar iets van gemopper geweest hier. De Israëlieten hadden niet zoiets geroepen als: waarom duurt het zo lang voordat we water vinden, is de Heer bezig ons uit te putten? Ze riepen ook niet: Heer, deze dorst is niet te doen. Nee, ze stellen de vraag of de Heer nog wel in hun midden is. Terwijl daar de wolk- en vuurkolom voor hen uitgaat. Terwijl het iedere dag manna uit de hemel regent.

Je hebt in de Bijbel klagen en klagen. Er is een vorm van klagen waarin mensen zich richten tot God zelf. De psalmen staan vol met zulke klachten die mensen uiten. Deze klachten komen voort juist uit het feit dat zo iemand zijn verwachting stelt op wat God belooft en dan klaagt over het feit dat de vervulling van die beloften uitblijft. Het klagen wat we hier tegenkomen in de woestijn is niet een klagen tegen god zelf maar klagen over God. En over de leider die hij het volk heeft gegeven. En dit klagen komt ook niet voort uit geloof maar juist uit aan schrijnend gebrek aan geloof.

In Numeri 11 lezen we dat dit bitter cynisch murmureren opnieuw de kop op steekt. We zijn dan inmiddels twee jaar onderweg door de woestijn. We zien ook hoe verziekend en vernietigend dit murmureren uitwerkt. Het is voor een hele generatie de reden dat ze niet kunnen binnengaan in Gods beloofde land. In de Hebreeenbrief wordt in hfst 3 en 4 terug verwezen naar deze opstandigheid, deze koppigheid, dit harde hart. Dit cynisme is iets dat ons leven ondermijnt en verziekt ons verhindert om de vrede van God te kunnen binnengaan. De schrijver van de Hebreeënbrief grijpt terug op psalm 95 en zegt dan: Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: Heden, indien u Zijn stem hoort, verhard dan uw hart niet, zoals bij de verbittering, op de dag van de verzoeking in de woestijn. Daar hebben uw vaderen Mij verzocht; zij hebben Mij op de proef gesteld en Mijn werken gezien, veertig jaar lang. Daarom ben Ik toornig geworden op dat geslacht en heb gesproken: Altijd dwalen zij met hun hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend. Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Mijn rust zullen zij niet binnengaan! Zie erop toe, broeders, dat er nooit in iemand van u een verdorven hart zal zijn, vol ongeloof, om daardoor afvallig te worden van de levende God;

In dat cynische, ongelovige, zure klagen, in dat altijd maar een oordeel vellen en het bewust klein maken van wat God doet groeit er iets van een laagje eelt op je ziel. Iedere keer wordt je hart wat harder tot het zo koud is als een steen en je jezelf zo berooft van de vrede en de vreugde van de nabijheid van God. Je dooft de Geest in je leven uit en je leven wordt koud en leeg en hol.

Ons leven heeft ook iets van een woestijn, een wildernis. We zijn hier niet thuis. We zijn nog volop onderweg. En in deze voorlopigheid, in dit leven dat vaak aanvoelt als woestijn mogen we tegelijk ook weten dat ook de woestijn van God is. En hoe onbarmhartig en verlaten het soms ook voelt. Het zijn niet de omstandigheden die ons leven bepalen. Bepalend is de trouw van God die zegt: Ik zal er zijn, ook midden in de woeste wildernis.

Tenslotte nog dit: waar komt dat gebrek aan vertrouwen nu eigenlijk vandaan? Dat ons mensen kennelijk zo typeert, vroeger en nu. Het eerlijke antwoord is dat we te veel op onszelf zijn gericht. We zien onszelf vaak als het centrum van het universum waar alles om zou moeten draaien. Dat wat wij denken nodig te hebben is wat telt. We zijn zo sterk gericht op onmiddellijke behoeftebevrediging. En vergeten dat ten diepst alleen Christus onze dorst lest,  onze honger stilt en de leegte in ons bestaan kan vervullen. We vinden het moeilijk om ons leven te bekijken met Gods ogen. Hij ziet het grotere plaatje waarin het niet draait om het voortdurend bevredigen van onze behoeften. Maar waarin het erom gaat ons gelijkvormig te maken aan Christus. En ons zo te vormen en te kneden tot mensen naar zijn beeld en bedoeling.

We zijn geroepen om onze behoeften, onze verlangens niet meteen instinctief en vanuit onze driften te bevredigen. Maar ze te toetsen en te wegen om te zien waar ze uit voortkomen. Niet te leven vanuit mijn onderbuik, maar vanuit een gelouterd en geoefend hart dat in liefde en fijngevoeligheid leert onderscheiden waar het op aankomt, wat in de wisselende omstandigheden en in alles wat zich aan mij opdringt de weg is die God mij wijst.

God komt de Israëlieten ondanks hun houding tegemoet. Mozes slaat met zijn staf op de rots. Diezelfde staf waarmee hij het water van de nijl veranderde in een rivier van bloed. Diezelfde staf waarmee hij het water van de Schelfzee spleet. De boodschap is helder: de God van de uittocht is dezelfde God van de doortocht en het is ook deze God en geen andere die er zal zijn midden in de woestijn. God is Heer over de woestijn net zoals hij Heer is over Egypte. Zijn heerschappij is onbegrensd. En wat er ook aan het licht komt van wat er leeft in ons menselijke hart, het staat hem niet in de weg om met ons op weg te blijven gaan.

Hier bij Massa en Meriba krijgt Mozes opdracht om met zijn staf op de rots te slaan. Dan zal er water uitstromen. Water om van te leven. Als je aan rabbijnen vraagt waar deze rots voor staat zullen ze je antwoorden: deze rots staat voor de Tora. Voor de woorden van God die dit volk zullen leren wat liefhebben is, wat ontferming is en wat vertrouwen is. Rabbijnen benadrukken dat deze rots niet alleen fysiek hier staat bij de Horeb. Deze rots heeft iets bewegelijks, reist hen al die jaren achterna. In de lijn denkt ook de rabbijn Paulus als hij in 1 Korintiërs 10 schrijft: Ze dronken allemaal dezelfde geestelijke drank. Ze dronken uit de geestelijke rots die hen volgde en die rots was Christus. Als je meegaat in deze manier van denken zegt God eigenlijk tegen Mozes: sla mij. God zelf wordt geslagen. Onze dorsten, onze boosheid, onze worstelingen raken hem in zijn binnenste ingewanden. God wordt geroerd en ontroerd. In Christus wordt hij geslagen en geslagen en bloedt hij leven. Als één van de soldaten zijn speer steekt in de zijde van Christus aan het kruis lezen we: en meteen vloeide er bloed en water uit. Zijn sterven is voor ons het leven! Dat hebben we vandaag gevierd bij brood en beker. Zo zetten we onze woestijntocht verder. Gemakkelijk zal het niet altijd zijn. Toch houden we goede moed. Want in alle omstandigheden dragen we de vrede van Christus in ons hart.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie