Uw koninkrijk kome (Mt. 13,24-33)

(Matteus 13:24-33; Leestip: Phillip Yancey – Geruchten uit een andere wereld; filmtip: To end all wars)

Als het Romeinse rijk in verval raakt, en de ene na de andere stad in handen valt van de Barbaren, krijgen christenen het verwijt dat zij aan dit verval hebben bijgedragen. Vooral omdat zij te sterk zouden zijn gericht op het hiernamaals en niet of nauwelijks betrokken zouden zijn bij het hier en nu, bij deze wereld, bij deze aarde.

De kerkvader Augustinus schrijft dan een boek om zich namens zijn medechristenen te verweren tegen dit verwijt. Het boek heet: De stad van God. Volgens Augustinus heb je als christen een dubbel paspoort. Je leeft tegelijk in twee werkelijkheden. Er is de stad van de mens, het gebroken menselijke bestaan waarin het vaak draait om de mens met zijn ambities en geldingsdrang, zijn behoeften en verlangens. En er is de stad van God waarin het koningschap van God gestalte krijgt in gehoorzaamheid en toewijding aan Hem. En het ingewikkelde, zegt Augustinus, is dat deze twee steden, twee manieren van leven zijn die in deze wereld vermengd zijn en vaak ook in je eigen leven een ingewikkelde kluwen vormen.

Ook in latere tijden wordt christenen verweten teveel met hun hoofd in de wolken te lopen en niet echt hart te hebben voor deze wereld, voor de aarde. In een Deens toneelstuk uit de 19e eeuw getiteld Keizer en Galileeër zegt keizer Maximus over christelijke martelaren: ‘Lijkt het niet zo dat deze mannen leven om te sterven? De geest van de Galileeër zit erachter. Als het waar is dat zijn Vader de wereld schiep, dan veracht de zoon het werk van zijn vader.’

Ook in onze eigen tijd klinkt het verwijt van onvoldoende christelijke betrokkenheid op de schepping, op deze planeet. Niet zozeer omdat de focus nu teveel zou liggen op het hiernamaals. Maar juist omdat we hier en nu maximaal willen genieten. De christenjournalist Koos van Noppen zegt in zijn hartenkreet die hij onlangs uitgaf als pamflet: Ik zie veel mensen die actief lid zijn van een christelijke gemeente, maar in veel opzichten er een identieke levensstijl op nahouden als de gemiddelde Nederlander. Hoe doen ze dat toch? Ze maken serieus werk van ‘navolging’ en ’discipelschap’, maar die termen lijken in de praktijk nauwelijks verbinding te hebben met de zorg voor de schepping. Het wemelt tegenwoordig van ‘geestelijk leiders’, initiatieven en bewegingen die beklemtonen te ‘luisteren naar wat de Geest zegt’. Hoe kan het dat de Geest – althans volgens hen – nooit iets zegt over onze stervende planeet?

Vaak voel ik me ongemakkelijk, zegt van Noppen, als in de social talk van christenen onderling onbekommerd wordt gesproken over de laatste (of eerstvolgende) verre vakantie of de zoveelste budget-stedentrip. Je wilt niet als zuurpruim of spelbreker te boek staan – maar als iemand loopt te vloeken in de kerk zeg je er toch ook iets van?

Zijn deze verwijten terecht? Lijden wij christenen en kerkgangers teveel aan wat van Noppen ‘milieu-bewusteloosheid’ noemt? En heeft dat Deense toneelstuk uit de 19e eeuw een punt? Is deze houding ook terug te voeren op Jezus zelf? Heeft de Zoon onvoldoende hart voor het werk van zijn Vader?

Vanmorgen staan we opnieuw stil bij het begin van het Onze Vader. Het gebed begint met wat in feite één lange zin is Laat uw naam geheiligd worden, …scherper gezegd: laat Uw koninkrijk komen, … nog scherper gezegd: laat uw wil gedaan worden, op aarde zoals in de hemel. Gods wil is vanaf de eerste bladzijden van de Bijbel duidelijk. God wil dat zijn schepping tot volle wasdom, tot bloei komt. Hij bedwingt de chaos, het woeste, het ledige en is uit op een bewoonbare wereld. Een feest voor alles wat adem heeft: bomen, bloemen, dieren en niet te vergeten ook mensen. De hele Bijbel laat zich lezen als getuigenissen over een  God die zich inspant om dit te verwezenlijken. Gebiedend, bevrijdend, verlossend, volhardend. Steeds opnieuw is daar een krachtig appél op de mensen van alle tijden om deze wereld niet te laten verloederen, te verwaarlozen maar bij te dragen aan verzoening, gerechtigheid en vrede.

En als het appél van Mozes en de profeten niet genoeg is neemt God daarin zelf het voortouw in Christus Jezus om in menselijke gestalte voor te leven hoe een leven naar Gods wil, een Koninkrijksleven eruit kan zien. Bij deze manier van leven staat Jezus uitgebreid stil in de Bergrede waar hij schetst hoe christenen licht van de wereld zout van de aarde zouden moeten zijn. Als zachtmoedige, barmhartige mensen vredestichters, bruggenbouwers, met een honger naar gerechtigheid. En in deze Bergrede komt dan ook bidden aan bod en leert Jezus zijn leerlingen het Onze Vader.

Als Jezus zijn leerlingen leert bidden zijn de eerste woorden die hij ze op de lippen legt woorden over Gods naam, Gods koninkrijk en Gods wil. Het is tragisch dat juist deze zin: ‘Uw wil geschiedde..’ tot veel fatalisme en berusting heeft geleid. Uw wil geschiedde en daar moeten we ons dan maar bij neerleggen. Gods water over Gods akker laten lopen, komen wat komt. Maar wie deze woorden bewust op de lippen neemt proeft daarin de onrust en hoogspanning van God die onvermoeibaar slag levert om zijn koningschap te doen gelden. Wie  bidt: laat uw wil worden gedaan stapt daarmee in de opstandigheid, het tegendraadse van de wet en de profeten. Het Bergrede-leven, een Koninkrijksleven zoals Jezus dat zelf heeft voorgeleefd.

Juist bij Jezus zelf zien we dat deze manier van leven botst op die andere levensstijl uit en naar de mens. Jezus ziet iedere dag dat het Koningschap van God stuit op hardnekkig verzet in hoofden en harten, in gedragspatronen van mensen. Hij levert zelf ook die strijd in Getsemané, tussen zijn eigen wil en die van God. Jezus ziet die twee steden, die twee manieren van leven door elkaar lopen, vermengd, ook bij zijn eigen leerlingen.

Jezus vergelijkt het Koninkrijk met een akker waar graan en onkruid samen opgroeien. Wie rücksichtslos het onkruid wil gaan verwijderen om een volledig zuiver veld te creëren trekt met het onkruid ook het graan los. Graan en onkruid groeit samen op tot de oogst. Het koninkrijk is er in de gestalte van zaadkorrels. Klein maar vol kiemkracht en in staat tot veel vrucht. Maar altijd weer omringd door oprukkend onkruid. Het koninkrijk is er in de gestalte van een klompje zuurdeeg. Het wordt vermengd met meel en je vindt het niet zomaar terug. En toch heeft dat kleine zuurdesem de kracht het in zich om al het meel te doortrekken.

Ik stuitte afgelopen week op het levensverhaal van Ernest Gordon. Een Britse legerofficier die in de 2e WO gevangen wordt genomen door de Japanners. Met duizenden anderen wordt Gordon gedwongen te werken aan de Birma-spoorweg. Vrijwel naakt de volle dag in de hete zon bij wel 50 graden. Wie verzwakt en niet levert wordt ter plekke afgemaakt, anderen sterven door uitputting, ondervoeding en ziekte. Uiteindelijk laten daar 80.000 mannen het leven. Ook Gordon komt totaal verzwakt in het dodenhuis. Waar gevangenen in rijen liggen te wachten op de dood.

Het kamp is werkelijk de hel op aarde. Bij momenten van voedseluitdelingen stort ieder zich als dieren op het eten. Er wordt van elkaar gestolen, niets gedeeld. Alleen de sterksten en snelsten overleven. Maar de sfeer in het kamp verandert door een voorval dat de gevangenen diep raakt. Op zekere dag staan alle mannen opgesteld in rijen en schreeuwt een bewaker dat er een schep ontbreekt. Hij wil ter plekke weten wie er een schep heeft gestolen en als het angstig stil blijft roept hij: dan zullen jullie allemaal sterven. Hij richt zijn  geweer op de eerste man in de rij. Op dat moment stapt een soldaat uit de rij naar voren. En zegt: ik heb het gedaan. De bewaker beukt met zijn geweerkolf op de man in en blijft hem slaan en trappen ook als hij weerloos op de grond ligt. De man overlijdt en zijn lichaam wordt in stilte weggedragen door zijn makkers. Als die avond het gereedschap opnieuw wordt geteld blijkt er een telfout te zijn gemaakt: er ontbreekt geen schep.

Een van de gevangenen herinnert zich een Bijbelvers: niemand heef groter liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden. En het gedrag van de mensen in het kamp begint te veranderen. Ze gaan hun stervenden met respect behandelen. Ieder krijgt tenminste een behoorlijke begrafenis, elk graf een kruis. Ze krijgen meer aandacht voor elkaar, er wordt minder gestolen. Ernest Gordon wordt uit het dodenhuis gehaald en liefdevol verzorgd door enkele vrienden tot hij weer opknapt. Een van hen verbindt dagelijks zijn zweren en masseert zijn verschrompelde spieren. Een ander brengt hem eten en een derde verkoopt zijn horloge in ruil voor wat medicijnen en zo komt Ernest Gordon langzaam weer tot leven.

Hij schrijft in zijn dagboek: de dood was nog steeds bij ons maar we raakten langzaam vrij uit zijn wurggreep.We zagen krachten die tegen het leven waren gericht: zelfzucht, haat, afgunst, jaloezie, hebzucht, luiheid en hoogmoed. Maar we zagen ook tekenen van leven: liefde, moed, zelfopoffering, sympathie, mededogen, integriteit, creativiteit. Dat waren de gaven van God aan ons daar in dat kamp.

Als Gordon verder is aangesterkt begint hij een gespreksgroep over ethiek. Meestal gaat dat over een goede voorbereiding op de dood. Gordon grijpt daarbij soms terug aan fragmenten van geloof. Die hij zich herinnert uit zijn jeugd. Zo wordt hij een geestelijke vader. De mannen bouwen een kleine kapel waar ze elke avond samenkomen om te bidden voor hen die er het allerergst aan toe zijn. Er groeien ook andere gespreksgroepen geleid door iemand die zich in een vorig leven in een bepaald terrein heeft verdiept. De oerwouduniversiteit biedt al gauw sessies over geschiedenis, economie, wiskunde, natuurkunde en negen verschillende talen.

Kunstzinnige gevangenen verzamelen stukjes houtskool uit kookvuren, verpulveren stenen om verf te maken en maken voldoende kunstwerken om een tentoonstelling op te zetten. Twee plantkundigen houden toezicht op een tuin met geneeskrachtige kruiden. Sommige gevangenen smokkelen snaarinstrumenten binnen. Anderen sneden blaasinstrumenten van bamboe. Een gevangene met een fotografisch geheugen schrijft complete partituren uit van symfoniën van bv Beethoven en Schubert. En het duurt niet lang of er komt een kamporkest. En na verloop van tijd worden er in het kamp concerten gegeven

Het wordt het wonder van de rivier Kwai genoemd. Als de bevrijding komt nemen de gevangenen geen wraak op hun sadistische bewakers maar behandelen hen met mildheid. Gordon schrijft zich na thuiskomst in voor een studie theologie en wordt later de deken van de kerk van Princeton University. Hij sterft in 2002, vlak na zijn dood verschijnt een indrukwekkende film over zijn leven: To end all wars.

Daar in de jungle aan de rivier Kwai lopen twee werelden door elkaar. Een heel deel blijft zich als beesten gedragen zowel onder de bewakers als onder de gevangenen. Het systeem bleef onmenselijk, bruut en meedogenloos. Maar midden in die hel zijn er ook sporen van een ander koninkrijk, een alternatieve gemeenschap. Een kleine nederzetting van het koninkrijk van God. Een geestelijke broederschap die voor deze mannen tastbaarder is en reëler dan de wereld van de intimidatie, het systeem van onderdrukking. En deze kleine beweging van mannen houdt de hoop levend op een betere toekomst. Een algehele bevrijding, een nieuw begin voor allen.

Het Koninkrijk van God is er al in tekenen en voorposten en tegelijk zijn er ook onze eigen koninkrijkjes, bolwerken. Ons taaie en hardnekkige verzet tegen het nieuwe leven. Ons vasthouden aan oude patronen waarvan we eigenlijk wel weten dat ze niet passen bij de sjalom, de heelheid, de bloeiende schepping zoals God die voor ogen heeft en waar Christus voor is gestorven. Wie de moed heeft om eerlijk te kijken naar zijn eigen keuzes. Wie de onverschilligheid, blindheid, traagheid in de ogen durft zien voelt die diepe ernst en de urgentie in Jezus gebedswoorden: Laat uw Koninkrijk komen: dat is: laat mijn koninkrijkje sneuvelen, laat Uw wil worden gedaan, dat is: vernieuw en zuiver mijn wil. Het begint steeds opnieuw zoals in dat kamp aan de rivier de Kwai. Je wordt geraakt door die ene man die op het beslissende moment een stap naar voren zette en zei: hier ben ik, neem mij maar. Zo versloeg hij uiteindelijk het rijk van de duisternis en maakte hij de weg vrij voor een ander leven een leven onder Gods koningschap en naar zijn heilige wil. Een leven waarin je met vallen en opstaan en in kleine stappen en bewuste keuzes dankbaar en blijmoedig en tegen de stroom in bijdraagt aan een betere wereld voor iedereen.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie