Schuilen bij God (psalm 91:1-2)

Psalm 91:1-2 – luisterlied: Mag ik dan bij jou, Claudia de Breij

Thuiskomen is een fijne ervaring. Je steekt de sleutel in het slot en gaat je huis binnen. Een omhelzing, een kus en je bent weer thuis. Dit is jouw plek. Je trekt de deur achter je dicht en daarmee sluit je de wereld even buiten. Alles wat je energie en aandacht heeft gekost. Wat je soms ook bezeerde, pijn deed. Je laat het achter je, want nu ben je thuis. De plek waar je thuis komt, thuis bent heeft wel iets van een schuilplaats. Joop en Rietje Moret hebben hun huis hier om de hoek aan de Spoorstraat die naam gegeven: Schuilplaats in de Wildernis. Frans Halsema en Jenny Arean zongen ooit een mooi liedje: Vluchten kan niet meer, ‘k zou niet weten hoe – vluchten kan niet meer, ‘k zou niet weten waar naar toe  – schuilen kan nog wel, heel dicht bij elkaar.

Psalm 91 heeft het over thuiskomen bij God. Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige.Schuilen bij God is een beeld dat je veel tegenkomt, juist in het boek van de psalmen. En dat is ook niet zo verbazingwekkend. Het menselijk bestaan wordt altijd bedreigd door ziekte en dood, door jaloezie, onbegrip en verlating. Je bent in zo’n onzeker, fragiel bestaan gezegend als je een thuis hebt, een schuilhut in de wildernis waar mensen je kennen en van je houden, waar je veilig bent.

En psalm 91 voegt daar aan toe: je bent dubbel gezegend als je het wonderlijke geheim kent van schuilen bij God. Als je de schuilplaats van de Allerhoogste kent. De schaduw van de Almachtige. De psalmdichter zal daarbij hebben gedacht aan een pelgrim of asielzoeker die geborgenheid en veiligheid heeft gevonden in de tempel van de Heer. Er waren mensen die heel bewust een nacht gingen slapen in de tempel in de hoop door een droom of op andere wijze een aanwijzing van de Heer de ontvangen. En psalm 91 is vermoedelijk een lied dat naar aanleiding van zo’n tempelslaap is ontstaan en opgeschreven.

Duidelijk is dat het menselijk bestaan bedreigd is. Vanaf vers 3 somt de psalmdichter het allemaal op. Er is de dood (het net van de vogelvanger), een plotselinge ziekte (de pest die rondwaart in het donker, de plaag die toeslaat midden op de dag). Een collega-theoloog die op deze psalm promoveerde ontdekte dat een aantal beschrijvingen in deze psalm specifiek betrekking hebben op demonische machten: de verschrikking van de nacht, de pijl die overdags op je afvliegt, leeuw, adder..

Psalm 91 lijkt specifiek geschreven als afweer tegen demonische machten. En sindsdien heeft deze 91e psalm deze functie gehad. Een lied van bescherming tegen allerlei boze machten. Op een Aramese magische schaal uit de 6e eeuw voor Chr. staan woorden uit psalm 91 geschreven. In Zuid-amerikaanse landen kun je op slaapkamers en in hotelkamers Bijbels tegenkomen die liggen opengeslagen bij psalm 91. En er zijn allerlei amuletten te koop waar woorden uit deze psalm zijn opgeschreven ter bescherming.

Maar hoe reeël deze demonische machten ook mogen zijn. Voor de psalmist is één ding duidelijk: bij de Allerhoogste Heer is een veilige schuilplaats. Hij zal beschermen met zijn vleugels. Onder zijn wieken vind je een toevlucht. Bij deze vleugels kun je letterlijk denken aan de vleugels van de twee gouden cherubijnen op het verzoendeksel die hun vleugels beschermend uitstrekken.

Een schuilplaats is geen eindstation. Maar een plek waar je even op adem kunt komen. Waar je kunt bijtanken, moed kunt verzamelen. Kracht en rust kunt vinden om daarna je reis weer te kunnen vervolgen. Zo was dat voor een pelgrim of asielzoeker. Die voor even was uitgeweken naar de tempel. Hoe goed, hoe volstrekt veilig het dat daar ook was. Hij zou vroeg of laat ook weer verder moeten. De luwte en beschutting van de tempel weer achter zich moeten laten.

Toch geeft de woordkeuze van deze psalmverzen ook iets aan van een blijvende toestand: Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige. Zetelen, overnachten, blijvend je intrek nemen, ze geven iets weer van het geheim dat je ook als je de veilige tempel weer achter je moet laten en toch op een andere, innerlijke, existentiële wijze kunt blijven zetelen in de schuilplaats van de Allerhoogste, blijvend kunt vertoeven in de schaduw van de Almachtige.

Iemand schreef over psalm 91: dit lied heeft iets van een paraplu. Je gebruikt ‘m om onder te schuilen. Maar als het te hard regent of echt begint te stormen, is een paraplu niet genoeg. De vraag is dus: biedt psalm 91 genoeg bescherming? Is de Schuilplaats van de Allerhoogste stormproof? Je kunt over deze psalm een hele boom opzetten. En iedereen kent genoeg schrijnende voorbeelden van al het verschrikkelijke kwaad dat ook gelovige mensen treft. En de vraag kan dan opgeworpen worden: waar is dan die God van wie deze psalm zegt, dat hij een veilige schuilplaats biedt?

De dichter Jan Willem Schulte Nordholt had het op zijn oude dag soms moeilijk juist met de zekere toon van deze psalm 91. Hij struikelde met name over vers 7: al vallen er duizend aan je linkerzijde en tienduizend aan je rechterhand, jou zal niets overkomen. Toen hij het verdrietige bericht ontvang van het overlijden van een goede vriendin schreef hij het gedicht: Karin is dood..

Het wordt routine. Er gaat bij mijn post

Geen week zonder een grijsomrande brief voorbij.

Er zullen, staat er, aan uw rechterzij

Duizenden vallen. Paradise lost.

Maar tot u, zegt de kalme psalmist,

Zal het niet genaken. En zo leven wij ook,

Als waren wij veilig onder de rook

Van geruststellende woorden. Het is

Onmogelijk om ooit de werkelijkheid

Echt onder ogen te zien. Maar vandaag

Toen jouw rouwkaart kwam, was er bij mij geen vraag,

Naar het mysterie van dood en tijd,

Enkel verbijsterende woede. We gaan,

Riep ik, wanhopig en theatraal,

Er allemaal aan. Zie je wel. Het verhaal

Wordt eentonig. Dodelijk is het bestaan.

 

Karin is dood, de kleine grijze dame die

ooit in onvergankelijke staat

als rosevingerige dageraad

optrad in mijn timide eerste poëzie,

Karin is dood, en wat zij achterlaat

dat is voor mij het wijde grijze ijs

waar wij op schaatsten naar het paradijs

dat er niet was en nu niet meer bestaat.

Ik denk dat we allemaal met Schulte Nordholt kunnen meevoelen op momenten dat we zelf een verbijsterend bericht ontvangen en ons bestaan schudt op zijn fundamenten. Als je psalm 91 nog eens rustig op je laat inwerken  zie je echter ook dat dit niet maar ‘geruststellende woorden’ zijn van een ‘kalme psalmist.’ Dat de psalm niet is bedoeld om als een amulet je voortaan te vrijwaren van welke narigheid dan ook. Psalm 91 is bedoeld als een lied om te bidden, te zingen, te fluisteren, te schreeuwen desnoods tegen de klippen op. Na de machtige openingswoorden van vers 1: Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige. Volgt meteen vers 2, nadrukkelijk in de 1e persoon enkelvoud: Ik zeg tegen de Heer: Mijn toevlucht en mijn burcht, mijn God, op wie ik vertrouw!

Het vertrouwen dat uit deze psalm spreekt is niet dogmatisch, ook niet magisch, geen hokus pokus maar door en door relationeel. Door juist ook deze woorden te zeggen, te zingen spreekt je dit wonderlijke vertrouwen niet alleen uit maar vaak vooral ook ín: mijn toevlucht, mijn burcht, mijn God op wie ik vertrouw. Dat geheim hebben kwetsbare, gelovige mensen in alle tijden opnieuw ontdekt en ervaren. Dat geen ziekten, machten, duivel of dood je kan scheiden van de liefde van God in Christus Jezus. Dat je in dit alles, hoe verdrietig, hier verschrikkelijk ook, meer dan overwinnaar kunt zijn dankzij hem die ons heeft liefgehad. Dat je blijvend kun zetelen in de schuilplaats van de Allerhoogste, in wisselende omstandigheden kunt overnachten, vertoeven in de schaduw van de Almachtige.

Een sprekend voorbeeld daarvan is het leven van Etty Hillesum, een begaafde jonge Joodse vrouw die in WOII eerst in Westerbork terecht komt en in 1943  wordt weggevoerd naar Auschwitz. Onderweg schrijft ze een laatste briefkaart die ze vlak bij Nieuwe Schans uit de trein gooit. Het is het laatste levensteken. De inhoud van het kaartje luidt: ‘Christien, ik sla de bijbel open op een willekeurige plaats en vind dit: “De Heer is mijn hoog vertrek.” Ik zit midden in een volle goederenwagon op mijn rugzak. Vader, moeder en Mischa zitten enige wagons verder. Het vertrek kwam toch nog vrij onverwacht. We hebben zingende dit kamp verlaten. Vader en moeder zeer flink en rustig; Mischa eveneens. We zullen drie dagen reizen. Dank voor al jullie goede zorgen.  Tot ziens van ons vieren, Etty.’

Etty Hillesum kon deze briefkaart schrijven omdat ze het geheim kende van zetelen in de schuilplaats van de Allerhoogste. Vertoeven in de schaduw van de Almachtige. Het was voor haar soms een heel gevecht om die schuilplaats van de Allerhoogste te vinden: ze schrijft in een van haar dagboeken Binnenin me zit een hele diepe put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij. Maar vaker liggen er stenen en gruis voor die put, dan is God begraven. Dan moet hij weer opgegraven worden.

Maar als ze die schuilplaats weer had teruggevonden dan kon ze daar zo genieten van vriendschap met God. Terwijl ze verblijft in kamp Westerbork en er boven haar leven grote donkere wolken hangen en ze om zich geen de grootste ellende ziet, schrijft ze: “U hebt mij zo rijk gemaakt, mijn God, laat me ook met volle handen uit mogen delen. Mijn leven is geworden tot één ononderbroken samenspraak met U, mijn God, één grote samenspraak.” Ze zegt: laat dat dan het doel zijn van mediteren: dat je van binnen een grote ruime vlakte wordt, en er iets van ‘God’ in je komt, zoals er in de Negende van Beethoven iets van ‘God’ is. Dat er ook iets van ‘Liefde’ in je komt, niet zo’n luxe-liefde van een half uurtje waar je heerlijk in zwelgt, trots op je eigen verheven gevoelens, maar liefde waar je iets mee kunt doen in de kleine dagelijkse praktijk.

Ja, dat is zo inspirerend aan deze vrouw. Zij wist zelf wat het is om te schuilen bij God en wilde van daaruit niets liever dan voor de anderen in de wildernis ook zo’n schuilplaats zijn. De laatste zin van haar dagboek luidt als volgt: men zou een pleister op vele wonden willen zijn. Ze weerspiegelt in dit verlangen iets van die ene man die meer dan wie ook zetelde in de schuilplaats van de Allerhoogste en overnachtte in de schaduw van de Almachtige. En bereid was om dat alles achter zich te laten’ en op deze aarde te komen als één van ons. Hij vond er geen thuis, geen schuilplaats. Vossen hebben holen zei hij en vogels hebben een nest maar de Mensenzoon had geen steen waar hij zijn hoofd op zou kunnen neerleggen. Hij zwierf rusteloos over deze aarde om voor ontheemde mensen een schuilplaats te zijn. Zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt. Kom naar mij, zei hij, als je vermoeid bent en onder lasten gebukt gaat, en ik zal je rust geven.

Laten we in zijn spoor gaan, iedere dag van dit nieuwe jaar. In hem blijven, in hem wonen. En hem onze schuilplaats vinden en vanuit die geborgenheid en vrede ook een schuilplaats proberen zijn voor de mensen om ons heen.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie