Onbevangen op weg gaan (preek psalm 84,12)

(psalm 84)

Als je onbevangenheid opzoekt in het woordenboek krijg je synoniemen als: onbevooroordeeld, onbeschroomd, ongedwongen, ongekunsteld, onomwonden, onverbloemd. Positief geformuleerd staan het voor openlijk, ruiterlijk, frank en vrij, vrijmoedig, open. Dat je niet wordt bevangen door iets, niet geremd leeft. Echt onbevangen kijken en leven is zo simpel nog niet. Hoe vaak hoor je jezelf of een ander niet van die typische zinnetjes zeggen als: Daar gaan we weer! Al ik het niet dacht! Zie je wel! Het is altijd weer hetzelfde liedje. Waarom verbaast me dit nu niet? Onbevangen op weg gaan. Onbevangen beginnen aan een nieuw jaar. Kan dat? En zo ja, hoe dan?

Het dagblad trouw wijdde vorige week haar weekendbijlage aan dit thema: ‘onbevangenheid’. Psychiater Iris Sommer legt er in uit dat echte onbevangenheid eenvoudig weg niet bestaat. Als je iets waarneemt met je ogen voegen je hersenen er al meteen een associatie aan toe. Je bent je van die associaties meestal niet zo bewust maar die worden gevoed door wat je hebt geleerd en meegemaakt, hoe je bent gevormd. Er zitten heel wat vooroordelen in waar je jezelf niet zomaar van kunt losmaken. Echt onbevangen leven is onmogelijk zegt de psychiater. Je kijkt nu eenmaal altijd gekleurd naar de werkelijkheid. Het is al heel mooi als je je steeds meer bewust wordt van de bril, de lens, de vooroordelen die je bij je draagt.

Politicoloog Hans de Bruijn laat in diezelfde weekendbijlage zien dat in onze complexe wereld onbevangenheid een schaars goed is. Steeds meer hebben we het gevoel geen controle meer te hebben en we ontwikkelen allerlei mechanismen om ons daartegen te verweren. Soms proberen we allerlei ingewikkelde vraagstukken te herleiden tot één onderliggende oorzaak. Als het even kan zoeken we daarbij naar een categorie die kan dienen als zondebokken. We manoeuvreren onszelf in een slachtofferrol. Trekken onszelf terug in een eigen werkelijkheid. Pikken uit de informatie-oceaan die feitjes eruit die ons nog verder bevestigen in onze standpunten en meningen en laten wat daar niet bij past aan ons voorbijgaan. Onbevangenheid, durven kijken en leven met een open mind, het is bepaald geen kenmerk van onze tijd en cultuur.

De theoloog Paul Tillich schreef ooit het boek ‘de moed om te zijn.’ En ook hij is niet erg optimistisch over hoe haalbaar het is om echt onbevangen en dus zonder angsten te leven. Hij legt uit dat niet alle angsten te genezen zijn. Er zijn vormen van angst die fundamenteel bij het mens-zijn horen. De angst voor het noodlot en de dood. De angst voor schuld en oordeel. En de angst voor leegte en zinloosheid. En je kunt op allerlei manieren proberen deze angsten te sussen en tot bedaren te brengen maar tegen deze angsten helpt geen pilletje, therapie of afleiding. En ook geen vlucht in een godsdienstige, religieuze bubbel. Het enige wat helpt om om te gaan met deze angsten is volgens Tillich God zelf. Niet onze ervaring van deze God. Niet onze relatie met deze God. Niet in onze ijver en inspanningen voor deze God. Maar God zelf, die Tillich de ‘God achter God’ noemt. God achter de godsdienst, voorbij de ervaring. De levende God naar wie deze psalmist zo sterk verlangt. Mijn hart en mijn lijf roepen om de levende God. Die in Christus mij inclusief al mij angsten aanvaardt.

En daarmee zijn we bij de Bijbel. We komen daar nog al eens mensen tegen die juist wel bevangen worden. Vaak door zorgen, angsten. We komen het specifiek tegen bij Jezus leerlingen. Op allerlei sleutelmomenten lezen we: ‘ze werden bevangen door grote schrik.’ Keer op keer komen we in de Bijbel de aansporing tegen om niet bang te zijn, niet bevangen te zijn door angst of schrik. En dat is precies de aansporing die we vinden in het slot van psalm 84. Om onbevangen op weg te gaan: want God de Heer is een zon en schild. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert Hij niet, aan wie onbevangen op weg gaan. HEER van de hemelse machten, gelukkig de mens die op u vertrouwt. (ps. 84,12-13)

Wat proef je in deze woorden? Deze beelden? De oude Johannes zegt in zijn apostolische brief: de volmaakte liefde drijft de vrees uit. (1 Joh. 4,18) Zoiets hoor ik ook in dat slot van psalm 84. God de Heer is een zon. Zoals iedere morgen de opkomende zon de nacht majestueus verdrijft, zo laat God in Christus de Zon van de gerechtigheid opgaan die de spoken en schimmen van de duisternis verdrijft en met haar licht en warmte nieuw leven wakker roept. Want God de Heer is een zon en een schild. Genade en glorie schenkt de Heer. Zijn weldaden weigert hij niet aan wie onbevangen op weg gaan.

Psalmisten zijn realistisch en robuust. Maken het niet mooier dan het leven is. Dat is zeker ook het geval in deze psalm 84. God is een schild maar dar betekent nog niet dat je geen strijd zou hoeven leveren. Er zijn en blijven dorre streken en soms moet je er dwars door heen, Maar juist in zulke streken is God als een bron, een milde regen. Ik dwaal soms duizend dagen ‘elders’, verloren, verdwaald in ‘tenten van de goddelozen.’ Ze staan voor een hol, plat, vlak en leeg bestaan waar God praktisch uit is verdwenen en waar ik zelfs kan wonen. Me er te lang en te gemakkelijk in thuis voel. Maar er zijn God zij dank ook tijden en plaatsen waar ik weer iets proef van Gods nabijheid. God is weliswaar een zon maar die zon moet iedere keer opnieuw opgaan en in en om en voor mij de duisternis verdrijven.

Mijmerend over deze psalm en die ene regel over onbevangen op weg gaan moest ik ook denken aan bekende regels uit ons liedboek. Wek mijn zachtheid weer, geef mij terug de ogen van een kind Dat ik zie wat is. En mij toevertrouw. En het licht niet haat. Dat onbevangen op weg gaan, wordt hier en ook in de evangeliën verbonden met de levenshouding van een kind. Om het koninkrijk van God binnen te kunnen gaan, heb je juist iets nodig van de openheid, de onschuld, de onbevangenheid van een kind. Juist zo kun je ontvangen wat God voor je heeft bereid Zijn weldaden weigert de Heer niet, aan wie onbevangen op weg gaan.

Onbevangen op weg gaan, het betekent dat je een tweede naïviteit ontwikkelt, waarin ondanks of juist dankzij alles wat je hebt meegemaakt er toch ruimte blijft voor verwondering. Je het aandurft je te laten verrassen. Zodat je je beeld van hoe je dacht dat iemand was durft te laten bijstellen, te corrigeren, te vernieuwen. Dat je enerzijds lessen trekt uit het leven dat je achter je hebt en je ergens toch ook ruimte laat voor het wonder van een nieuw begin, een andere kijk. Wie zo op weg gaat, zegt de psalm, zal verrast worden door weldaden van God. Die zal momenten meemaken van genade en glorie. Want God, de HEER van de hemelse machten, weigert zijn weldaden niet, aan wie onbevangen op weg gaan

Hoe onbevangen gaan wij op weg, een nieuw jaar in? Wat zouden we wel achter ons mogen laten op de drempel van oud en nieuw. Brillen en lenzen die ons zicht belemmeren? Meningen en standpunten die gestold zijn. Moge ons leven, ook ons gemeenteleven een oefenplek zijn in onbevangenheid. Wat mij betreft is dat de zegen van het deel uitmaken van een geloofsgemeenschap. Van bewust staan in een lange traditie. Er klinken telkens stemmen die je prikkelen, opscherpen, ontregelen, spiegelen. En zo aanzetten tot gezonde zelfreflectie. Zo vind je om ‘in de taal van deze psalm’ te blijven de gebaande wegen naar God. Gelukkig de mens die op deze God vertrouwt.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie