Ogen op de weg (Lukas 9,62)

(Lukas 9:51-62; luistertips: I have decided to follow Jesus – Jadon Lavik – Keep your hands on the plow – Mahalia Jackson)

Het leven wordt achterwaarts begrepen, maar het moet voorwaarts worden geleefd. Dat zei de Deense filossof en theoloog Sören Kierkegaard. We voelen allemaal op onze klompen aan dat dat eenvoudig zo is. Een koor bijvoorbeeld kan zich niet bezighouden met de regel die zij juist heeft gezongen. Het wordt alleen wat met het stuk als ze zich steeds focust op de volgende regel. En als je reist met navigatie helpt het je niet verder als het schermpje je alleen de afgelegde route toont. Je houdt je bezig met het traject wat voor je ligt. Een achteruitkijkspiegel is best handig, Maar je moet er niet te vaak en te lang in turen. Ogen op de weg, handen aan het stuur dus.

Het leven wordt achterwaarts begrepen. Maar het moet voorwaarts worden geleefd. Een uitspraak die ook past in het Bijbelse denken. Het leven wordt inderdaad achterwaarts begrepen. Bijbelschrijvers nemen ons steeds opnieuw mee naar vroeger tijden. Naar wat vorige generaties gelovigen met God hebben beleefd. Wat ze erin hebben geleerd en afgeleerd. En de hele Bijbel is een aansporing om in die keten te staan. Heel bewust te putten uit een rijke traditie van getuigenissen en liederen, verhalen en profetische stemmen. Het is bagage die helpt om iets te begrijpen van het leven en van de God die de Bron en het doel is van dit leven. En het is een valkuil om te weinig terug te kijken. Alsof je de eerste zou zijn die voor levensvragen staat. Alsof niet al sporen zijn getrokken en wegen gebaand door al degenen die voor ons uit zijn getrokken. Alsof God in vroeger tijden zijn glorie niet heeft getoond. Niet heeft bewezen wie Hij was, is en zijn zal. Inderdaad, het leven wordt achterwaarts begrepen.

Maar er is ook een andere valkuil denkbaar. Namelijk dat je vooral achterwaarts georiënteerd bent en vergeet dat het leven toch echt voorwaarts geleefd wordt. Er zit in ons menselijk bestaan een instinctieve behoefte aan geborgenheid en zekerheid een vasthouden aan oude zekerheden van vroeger tijden. Een hang naar wat bekend is en vertrouwd. Waardoor we terugschrikken voor de weg die voor ons ligt. In heel wat Bijbelverhalen proeven we juist de spanning tussen verder trekken of terugkeren, tussen omzien of vooruitkijken.

Er is het aangrijpende verhaal over de vrouw van Lot. Zij vlucht weg uit Sodom, ze mag vooral niet omkijken en als ze dat toch doet verandert ze in een zoutpilaar. Dat wat achter je ligt kan je kennelijk gevangen houden. Wie teveel achterwaarts leeft, loopt alle kans te verstarren, te verstenen, te verkrampen en zo zijn bestemming, zijn roeping mis te lopen. Deze neiging om terug te schrikken voor wat voor je ligt, de reflex om dan liever terug te keren naar wat bekend is komen we ook tegen bij de woestijnverhalen. Hebreeuwse slaven, wonderlijk en krachtig bevrijd uit Egypte zijn op weg naar een vrij bestaan in het beloofde land maar onderweg schrikken ze terug voor het onbekende, het onzekere, het avontuur van de vrijheid. Als het even tegenzit verlangen ze al weer snel terug naar de vleespotten van Egypte zelfs als ze daarvoor hun vrijheid moeten inleveren. Maar de vuur- en wolkkolom beweegt nooit terug, altijd vooruit. En steeds klinkt het: zeg de kinderen van Israël dat ze voorttrekken En ergens is dat altijd weer de struggle voor wie uit geloof leven wil. Door de wereld gaat een woord, en het drijft de mensen voort, breek uw tijd op, ga op reis, naar het land dat Ik u wijs.

Het leven wordt achterwaarts begrepen, het moet voorwaarts worden geleefd. Het is de strekking van de leefregel uit Filippenzen 3. Paulus zet er de zaak op scherp. Hij heeft het niet eens meer over achterwaarts begrijpen. Hij heeft het over loslaten, afleggen, wegwerpen, prijsgeven. Ik vergeet wat achter me ligt en richt me op wat voor me ligt. Ik ga recht op mijn doel af: Christus kennen, de kracht van zijn opstanding ervaren en leren delen in zijn lijden. Je proeft in deze verzen de houding en focus van de sportman. De hardloper die alles wat hem hindert kwijt moet zodat hij vrij is om ongehinderd de eindstreep te halen. En zo zijn roeping als christen te vervullen en volledig tot zijn bestemming te komen.

Dat “de zaak op scherp zetten”, heeft Paulus van geen vreemde. We komen dat in Lukas 9 ook tegen bij Jezus. De lezing die begint met de indrukwekkende zin: toen de tijd naderde dat Jezus van de aarde zou worden weggenomen ging hij vastberaden op weg naar Jeruzalem. (vers 51)Jezus begint nadrukkelijk aan de kern van zijn missie: de weg van het offer, de weg van het kruis. De weg van de beslissende strijd tegen de boze. De weg die uit zal lopen op de opstanding, de bevrijding, de genezing, de vernieuwing van de kosmos, de schepping, de mensheid. Toen de tijd naderde ging hij vastberaden op weg naar Jeruzalem.

Woorden die doen denken aan een sleutelmoment in het bekende Narnia-verhaal van C.S. Lewis. Het land achter de kleerkast waar oorspronkelijk de leeuw Aslan regeert. Maar in de loop van de tijd is Narnia betoverd geraakt, onder invloed gekomen van de witte tovenares en haar trawanten. Sindsdien is het in Narnia altijd winter. Tot er een opmerkelijk gerucht de ronde doet: Aslan is on the move. Aslan, de machtige leeuw is onderweg om een beslissende slag te leveren met de onderdrukker en zijn koningschap over Narnia te herstellen. Aslan is on the move, en als hij weer in het land komt en aan zijn vredesoffensief begint, smelt de sneeuw, beginnen de bloemen de bloeien en hangt de lente in de lucht. Alleen al de wetenschap dat Aslan onderweg is geeft de inwoners van Narnia moed, hoop, energie. Iets van deze lading proef je in de woorden die Lukas kiest: toen de tijd naderde… ging Jezus vastberaden op weg naar Jeruzalem. Het is diezelfde beslistheid die we bij Paulus proeven: Één ding is zeker, ik vergeet wat achter me ligt richt me op wat voor me ligt. Ik ga recht op mijn doel af.

Deze vastberadenheid wordt gemakkelijk verkeerd begrepen. Bij Jezus leerlingen wordt zoiets al snel fanatisme. Fanatisme moet het hebben van zich afzetten tegen anderen. Wij mensen zijn daar vaak druk mee in de weer. We trekken lijnen, stellen grenzen en alles en iedereen die daar dan niet aan voldoet, valt erbuiten, wijzen we af. Te zwaar of te licht, te reformatorisch of te evangelisch, te blij of te somber, te strak in de leer of te open-minded. En ergens denken we daarmee dan ook God aan onze zijde te hebben. De Samaritanen bijvoorbeeld die Jezus en zijn leerlingen tegenkomen. Ze zijn vanuit Joods perspectief niet zuiver genoeg, niet goed genoeg. En als ze geen ruimte bieden voor Jezus vinden de leerlingen dat het tijd is om hen een lesje te leren, liefst met vuur uit de hemel. Dat afschrijven, wegzetten, veroordelen, het zit ons kennelijk in het bloed. Het past op geen enkele manier bij wat Jezus voor ogen staat.

Dostojevski vertelt het beroemde verhaal van de Grootinquisiteur. Christus keert in de 16e eeuw terug op aarde. Hij verricht enkele wonderen, wordt opgepakt door de Spaanse inquisitie en in cel gegooid en wacht op de brandstapel. In de nacht krijgt hij bezoek van de Grootinquisiteur die in een eindeloze tirade zich keert tegen de boodschap van het koninkrijk die Jezus verkondigde toen hij mens was en rondtrok op aarde. Die tijd is voorbij, zegt de grootinquisiteur, ik laat je niet opnieuw de orde verstoren. Wat mensen nodig hebben is geen boodschap van liefde en rechtvaardigheid. Orde zal er alleen zijn met een dwingend systeem. Geef de mens brood, beheers zijn geweten en heers over de wereld! Jezus zit daar in de cel op de grond en hoort de tirade rustig en vol aandacht aan. Zodra de man is uitgeraasd staat Jezus op, kust hem op zijn bloedeloze lippen en loopt de gevangenis uit.

Lukas zou glimlachend instemmen met dit verhaal. Hij schrijft zijn tweeluik van evangelie en Handelingen om iets te laten zien van Gods hart dat uitgaat naar alle mensen. Juist Lukas is daar als evangelist zeer mee bezig. Het geslachtsregister van Jezus gaat bij Lukas niet terug op David, ook niet op Abraham maar helemaal tot Adam. Alsof hij zeggen wil: Jezus is er voor de hele mensheid. En zijn tweede boek Handelingen is helemaal gewijd aan de wegen waarlangs het evangelie van Gods liefde over allerlei grenzen heen helemaal aankomt tot in Rome. Ja, dat is iets waar Lukas diep door is geraakt: Gods Geest doorbreekt de grenzen die door mensen zijn gemaakt.

Nee, Jezus vastberadenheid wordt nooit een fanatisme. Je zou het eerder een vorm van radicaliteit kunnen noemen. Daar zit het woord ‘radix’ is wat ‘wortel’ betekent. Radicaliteit hoeft het niet te hebben van afzetten tegen de ander. Het ontleent kracht en vreugde aan een diepe verworteling. Bij Jezus is dat een verworteling in het hart van God zelf. We zingen dat in psalm 130 nieuwe berijming: Gij al Gods bondgenoten, ziet naar Gods toekomst uit. De Heer is vastbesloten, tot goedertierenheid. Jezus is hier niet bezig met een grimmige, kille parade. Hij is bezig met een vredesoffensief, een revolutie van onvoorwaardelijke en onweerstaanbare Goddelijke liefde. Een liefde die uitgaat boven al de manieren waarop wij mensen proberen gestalte geven aan liefde.

In de gesprekjes met kandidaat-volgelingen maakt Jezus duidelijk dat Gods beweging van liefde van een heel andere orde is dan wij mensen ervan maken. Het is een liefde die alles omvat en alles geeft, maar ook alles vraagt, totale overgave en toewijding. Er zit in het koninkrijk iets onmiddellijks, iets urgents. Iets dat zich niet laat uitstellen, niet laat ondergeschikt maken. Niet laat inkapselen door welke holen of nesten ook. Jezus stelt meteen na deze gesprekken in Lukas 9 de 72 aan die Hij uitzendt om in Zijn naam iets van Zijn koningschap zichtbaar te maken. En in deze gesprekken proef je dat Jezus bezig is om bij zijn leerlingen een nieuwe mind-set aan te brengen. Een besef van wat vraagt het van heel gewone mensen om beschikbaar te zijn voor Gods werk in deze wereld. Geen fanatisme waarin je je afzet tegen anderen. Wel radicaliteit, geworteld zijn in Gods Vaderhart. Niet een mentaliteit van: eerst nog dit, en dan dat en dan, ja dan ben ik eventueel wellicht beschikbaar. Geen holen of nesten waar je door wordt ingekapseld. Maar zonder reserves, zonder slagen om de armen in het hier en nu zien wat van je gevraagd wordt en daarop antwoorden in gehoorzaamheid.

Je voelt aan alles hoe Jezus mensen probeert vrij te maken om met Hem op weg te gaan. Vrij van allerlei ‘holen’ en ‘nesten’ waar we onbedoeld in kunnen blijven hangen. Iemand heeft eens wat cynisch gezegd: Jezus verkondigde het Koninkrijk van God en wat kwam, was de kerk. Een prikkelende uitspraak die de vraag opwerpt: zijn we als gemeente ook niet al snel een hol of een nest waarin de beweging van Gods koninkrijk wordt geremd, gesust, gesmoord, gedoofd?

Een bekend gedicht verwoordt deze zorg als volgt: Wij, zonder geld op reis gegaan –  en zonder buidel uitgezonden – om te genezen waar wij konden – te zegenen waar and’ren slaan. – te vroeg vertraagde onze voet – wij hebben ons te warm genesteld – en een weerbarstig fort gemetseld – rondom een volk dat trekken moet.

Het is een vraag die we juist binnen de kerk onszelf en elkaar mogen stellen. Draagt wat we in de gemeente mee krijgen bij aan een leven in gehoorzaamheid aan Jezus. Is onze gemeente een oefenplaats voor de radicaliteit die we hier bij Jezus proeven. Ik ervaar het als een belangrijk deel van mijn roeping. Op de verschillende plaatsen waar ik mag dienen, me met anderen uit te strekken naar een koninkrijksleven. En dat juist ook binnen de structuren van de gevestigde kerk. Bij te dragen aan een atmosfeer van radicale gehoorzaamheid aan wat de Heer vraagt. Gebondenen te bevrijden, zieken de handen op te leggen, leren luisteren naar de stem van God, leven vanuit de Geestesgaven. Dat is het appél van het evangelie vanmorgen aan u, jou en mij. Laten we vastberadenheid voorwaarts gaan. Niet teveel en te lang in de achteruitkijkspiegel te turen. Maar vandaag beschikbaar te zijn voor wat of wie de Heer op mijn pad brengt en van mij vraagt. Waar ik even zijn ogen, zijn oren, zijn handen en voeten mag zijn. Immers, God gaf ons geen geest van lafhartigheid, maar van kracht, liefde en bezonnenheid. Schaam u dus niet om van dit evangelie te getuigen.

Jezus vat deze gezindheid, deze voorwaartse leefrichting samen in de krachtige slotzin: Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken is niet geschikt voor het koninkrijk van God. Wie ploegt kan niet teveel bezig zijn met het resultaat. Dat ligt immers achter je. Van de ploeger wordt gevraagd de blik vooruit te richten. Zich te richten op de stip aan de horizon, de oogst waar hij voor bezig is. De ploeger maakt de grond los en klaar voor andere, nieuwe en vruchtbare seizoenen van zaaien en maaien, snoeien, bloeien en oogsten.

De dichter Roland Holst schreef het gedicht “De Ploeger”. En in dit gedicht staan regels die me uit het hart zijn gegrepen juist op dit moment in deze afscheidsdienst: Ik zal de halmen niet meer zien – noch binden ooit de volle schoven – maar doe mij in de oogst geloven –  waarvoor ik dien.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie