Luisteren als leerlingen (Jesaja 50:4-5)

(Jesaja 50:4-5)

In een museum in Hamburg zijn deze houten beelden te zien. Gemaakt door de Duitse kunstenaar Ernst Barlach. Deze verzameling van negen beelden kreeg als naam mee: Fries der Lauschenden. Fries is de term voor een verzameling mensfiguren. Lauschen is een zeer intense, aandachtige vorm van luisteren.

In deze reeks stille luisteraars zien we van links naar rechts de dromer, de gelovige, de danseres, de blinde, de wandelaar, de pelgrim, de gevoelsmens, de begenadigde en de verwachtende. Er zit in deze beelden iets ambivalents. Bij de danseres (3e van links) wil de dans nog niet echt op gang komen. Het 2e beeld van rechts wordt begenadigd genoemd maar lijkt tegelijk ook pijnlijk getroffen. Pijnlijk begenadigd. Dat dubbele zullen we zo ook zien bij de gelovige.

Luisteren ziet er bij ieder van deze beelden anders uit. Sommigen zijn naar binnen gekeerd, anderen richten hun blik juist naar buiten. Ik kom daar straks nog even op terug. Maar geen van deze luisteraars zwerft zomaar doelloos rond. Stuk voor stuk openen deze mensen zich voor iets wat uitgaat boven henzelf. Al luisterend boren zij een bron aan. Barlach zelf zei: het zijn allen mensen van gebed.

Het zijn stuk voor stuk krachtige figuren. Maar de kracht die van hen uitgaat is wel van een heel eigen soort. Barlach maakt deze beelden in het Nazi-Duitsland van de jaren dertig van de vorige eeuw. Wat dan vooral telt is úíterlijke, fysieke kracht, de gehelmde held, de Ariër, de Uebermensch. En tegen de tijdgeest in toont Barlach de mens in zijn ínnerlijke kracht. Een kracht die zich uit in ontvankelijkheid, kwetsbaarheid. De mens die tot zijn bestemming komt juist door zeer intens en aandachtig te luisteren.

Een van deze negen luisteraars is de gelovige. Op het gezicht dat zich naar boven richt licht een ontspannen glimlach, iets van blijmoedigheid, opgewektheid, vrolijkheid. De gelovige is iemand met een binnenpretje zei de theoloog Van Ruler eens. Iemand met een naar buiten barstend binnenpretje. Want, zo zei van Ruler: hij is aanvaard, en de wereld is verlost. Dat binnenpretje proef je bij dit portret van de gelovige. De open handen versterken een houding van overgave, toewijding, aanbidding, ontmoeting.

Ik had het al even over het dubbele in deze beelden. Bij deze gelovige bijvoorbeeld strekken de handen zich op een soort van zegenende manier uit. De gelovige wil er zijn voor de ander, tot zegen. Hij wil van wat hij zelf hoort, en ontvangt doorgeven. Maar deze handen worden tegelijk ook tegengehouden door de mantel die zich om hem sluit als een keurslijf. De gelovige lijkt op een bepaalde manier gevangen te zitten. Opgesloten in zichzelf, vervuld vaak van zichzelf. Kerkvaders spraken over: homo incurvatus in se”. De mens, gekromd in zichzelf.

Barlach lijkt ermee aan te willen geven: Lauschen, zo luisteren dat je echt gehoor geeft aan wat tot je komt, dat is nog niet zo eenvoudig. Je zit jezelf vaak in de weg. Je bent niet zomaar vrij. Dat is een hele worsteling. Een leerproces. Ook voor de gelovige.

Werkelijk horen is iets dat geleerd moet worden. Dat besef proeven we in Jesaja 50:4-5. Hier in een eigen vertaling: God, de HEER, heeft mij een tong gegeven zoals leerlingen hebben, om met de moedeloze een woord op de juiste tijd te spreken. Hij wekt mij morgen aan morgen, Hij wekt mij het oor, opdat ik hoor zoals de leerlingen doen. God, de HEER, heeft mij het oor geopend en ik heb geen verzet geboden, ik ben niet teruggedeinsd.

Horen begint hier met gewekt worden: Hij wekt mij het oor opdat ik hoor. Ons oor, ons horen moet kennelijk ‘gewekt’ worden. Het woord voor wekken wordt in de Bijbel ook gebruikt in het beeld van een arend die haar nest opschudt en haar jongen eruit werkt zodat ze uitvliegen. Er zit in dat wekken iets activerends. Het begint niet bij mij, het gebeurt aan mij. Iedere keer, iedere morgen opnieuw. Iets dat in mij getriggerd wordt, wakker geroepen. Een woord, een stem, een lied, een vonk.

Wekken is niet genoeg, ons oor moet ook geopend worden. God de Heer heeft mij het oor geopend. Het doet denken aan een bekend vers uit psalm 40: U hebt mijn oren voor u geopend. Daar staat letterlijk zoiets als: U hebt mijn oren uitgehouwen. Dat is een heftig beeld. Als een beeldhouwer bewerkt God met een pikhouwel het granieten blokhoofd van de mens. Hij houwt in de keiharde buitenkant van ons bestaan eigenhandig een oor uit, een ingang, een opening zodat we horen wat God ons zegt. Denk aan Jezus, die een teken van Zijn koningschap oprichtte door zijn handen te leggen op beide oren van een mensenkind. Hij riep: Efatha! Wordt geopend!

In het Joods-Hebreeuws denken is het oor de plaats waar wijsheid zetelt. Niet het hoofd, niet het brein, maar het oor. Levenswijsheid is het vermogen om te luisteren. Wijsheid is niet iets wat je als mens op zak hebt. Het komt van buitenaf, van hogerhand tot je, je ontvangt het door te luisteren. En luisteren betekent in het Bijbelse denken dat je aan wat je hoort echt gehoor geeft. Er op antwoord, ernaar handelt.

Als het over luisteren gaat, over gehoor geven aan beschouwt Jesaja zichzelf een leerling. Hij wekt elke morgen, Hij wekt mij het oor, opdat ik hoor zoals de leerlingen doen. Dat woord leerlingen valt hier tweemaal. Horen zoals leerlingen doen om te kunnen spreken zoals leerlingen doen. Er spreekt een nederige, bescheiden houding uit. De profeet, en ook de gelovige is geen orakel. Hij beschouwt zichzelf als een leerling. Als iemand die het niet in de vingers heeft. Die niet veel op zak heeft. Die als het er op aan komt een hoofd van graniet heeft voor wie het horen iedere morgen opnieuw een kostbaar geschenk is.

Horen als een leerling, spreken als een leerling. Het woord leerling is hier niet schools bedoeld. Het roept eerder de sfeer op van inwijding. Het past bij een Meester-gezel model Waarbij de gezel, de leerling wordt ingewijd in een luisterende levenshouding. Jesaja lijkt hier een eenling te zijn. Maar in Jesaja 8 en 54 komen we precies datzelfde woord leerlingen in meervoud tegen. Er is kennelijk een beweging van leerlingen. Ook wel knechten, dienaren van de Heer genoemd. Een beweging, een gemeenschap van luisterenden, lauschenden, zoals Ernst Barlach ze verbeeldde. En net als in Barlach’s dagen hebben de luisterenden in Jesaja’s dagen elkaar hard nodig. Er leeft onder hun tijdgenoten veel cynisme. Een hele generatie heeft collectief gefaald. Ze zijn in Babel beland en er is veel verloren gegaan. Er zit in deze generatie iets gearriveerds. Hun leven is vervlakt. Nogal plat geworden. Babel neemt hen grotendeels in beslag. Je moet het er zien te redden. Het leven is er wat het is en fundamenteel anders gaat het niet meer worden. De rek is er uit, ze geloven het eigenlijk wel. En veel hoop op een echt nieuw begin is er niet meer. Misschien zit jij ook zo in de wedstrijd. Je hebt door schade en schande je lessen geleerd. Weet inmiddels hoe de hazen lopen in deze wereld. Hoe mensen in elkaar steken. Hoe het werkt.

En dan zijn er de leerlingen, de luisterenden. Zij laten hun oren niet hangen naar de tijdgeest. Zij hebben een andere golflengte gevonden. Zij hebben een stem gehoord die boven alles uit gaat. Een vreemde onrust heeft zich van hen meester gemaakt. C.S. Lewis noemt het geruchten van een andere wereld: “de echo van een melodie die we niet hebben gehoord.” Momenten waarop even iets oplicht van hoe het leven ook zou kunnen zijn flitsen, fragmenten van schoonheid, goedheid, waarheid. Die een diep verlangen wakker roepen naar een wereld waarin de dingen heel anders gaan. Maar ook ervaringen van lijden en gebrokenheid waardoor we ineens pijnlijk scherp zien en voelen hoe door en door verrot en verziekt deze wereld is en hoe zeer de schepping kreunend uitziet naar een werkelijke en fundamentele reset.

Barlach maakte een aantal van zijn stille luisteraars oorspronkelijk als onderdeel van een Beethovenmonument in Berlijn. Hij had bij de eerste beelden dus in gedachten dat deze luisteraars afstemmen op een wonderschone melodie. Een poos geleden hoorde ik iemand uitleggen hoe zij soms in haar leven het spreken van God ervaart. Tussen allerlei andere gedachten en stemmen ingevingen, de zachte stille stem van de Geest te herkennen. Toen iemand haar vroeg of ze het wat preciezer kon uitleggen zei ze: als ik de stem opvang, klinkt die juist op die plek in mijn hoofd waar, als ik aan een lied denk, ik muziek hoor afspelen.

Langs die lijn denkend zou je kunnen zeggen: er klinkt in deze schepping een melodie van God de Schepper. Van het goede leven zoals God het heeft bedoeld. En tussen veel dissonanten en allerlei kabaal de grondtonen van goedheid, schoonheid en waarheid. Van gerechtigheid, barmhartigheid en vrede. We mogen ons erin oefenen de melodie te herkennen. Het ritme op te pakken en er met vallen en opstaan in mee te gaan.

Voor de leerling in Jesaja 50 gaat dat niet gemakkelijk. Zijn oren moeten ervoor gewekt worden, geopend. En dat iedere morgen opnieuw. Hij merkt er bij op: ik heb geen verzet geboden, ik ben niet teruggedeinsd. Dat is kennelijk wel wat zomaar kan gebeuren. Dat je wel verzet biedt, dat je wel terugdeinst. Omdat de melodie van het goede leven. De melodie van het koninkrijk weerstand oproept. Bij jezelf in de eerste plaats en ook bij de ander. Omdat de stem, de melodie te waar is, te groots, te genadig, te grens doorbrekend, te omarmend, te ontmaskerend. De stem ontregeld mijn natuurlijke denken. Het wekt je, en ergens wil je het ook meteen weer in slaap sussen. Het opent iets in je, maar je zou het zomaar weer toestoppen. Het vraagt overgave, maar wat je voelt is verzet. Het wil je meenemen maar je deist er ook voor terug.

Jesaja 50 wordt van ouds terecht verbonden met Jezus. Hij belichaamt als geen ander wat hier wordt beschreven. Morgen na morgen liet Hij zich wekken door de Stem. En wat zijn opdracht ook zou worden, hij verzette zich niet, deinsde niet terug. Gaf op een totale en radikale manier gehoor aan dat wat van Hem gevraagd werd. Het ultieme offer van liefde en trouw tot het uiterste. Op zijn levensweg zag hij tussen het vele altijd weer het ene. Herkende hij de kairosmomenten waarin er iets van Hem gevraagd werd. Ging hij zijn weg met een ontvankelijk, geoefend hart. En op die weg verzamelt hij leerlingen om zich heen Sticht Zijn Geest gemeenschappen van leerlingen die hem willen volgen in een luisterend leven.

Ik proef in de woorden uit Jesaja 50 een uitnodiging om in te voegen in de beweging van luisterenden die er door de eeuwen heen altijd is geweest. In de Joodse traditie, in de kring rond Jezus. Zo’n leven heeft een binnenkant. Er is ruimte voor verstilling, meditatie, en gebed. Voor zelfreflectie en soulsearching. Maar een luisterende levenshouding is breder dan dat. Bij veel van Barlach’s luisteraars is er in hun luisteren juist ook de beweging naar buiten. Aandacht en eerbied voor wie of wat zich in je leven aandient. In het beeld van de gelovige komen deze twee samen. Het naar binnen of boven gerichte én de gerichtheid naar buiten.

Dit naar buiten gerichte luisteren is sterk bewaard gebleven binnen de traditie van de Benedictijnen. De eerste zin van de leefregel van Benedictus luidt: Luister, mijn zoon, naar de richtlijnen van uw meester en neig het oor van uw hart. Luister! Ausculta staat er in het Latijn. Ausculteren is wat een huisarts doet met zijn stethoscoop. Hij is dan een en al oor, om te beluisteren wat het lichaam van de patient hem vertelt, wat er aan de hand is en wat er hier nodig is. En het luistert nauw: een onregelmatigheid, een ruisje, een licht piepje kan een belangrijk signaal zijn wat om een adequaat antwoord vraagt.

Ik las over een schooldirecteur die voordat het nieuwe schooljaar zou beginnen zich een poosje terugtrok in een Benedictijns klooster. Hij wilde een ausculterende schoolleider zijn. Leiding geven met de stethoscoop om, zeg maar. Concreet nam hij zich bijvoorbeeld om voor iedere morgen als eerste aanwezig te zijn. Koffie en thee te zetten en te schenken voor binnenkomende collega’s en echt alle aandacht te geven aan wat er zoal gaande is wat er speelt bij zijn collega’s persoonlijk en tussen hen als team. Bedacht op wat er tussen de regels en achter de woorden klinkt. Een licht piepje, een signaal dat aandacht nodig heeft. Iets zorgwekkends, of juist een verlangen, een groeimogelijkheid. En aan wat hij waarnam besteedde hij diezelfde dag nog aandacht.

Iedere tijd heeft zulke luisterenden nodig. De dagen van Jesaja, de tijd van Barlach en ook de onze. Iedere stad, iedere wijk, iedere buurt, iedere straat. Ieder gezin, ieder team, ieder netwerk is gebaat bij luisterenden. Om zoals hier beschreven staat: een woord voor de juiste tijd te vinden. Dat je weet wat het juiste is, het passende om te zeggen, om te doen. Dat je, om met Paulus te spreken, kunt onderscheiden waar het op aan komt. Wat wezenlijk is. Het Gebot der Stunde.

Leven als een leerling begint in de stilte. Iedere morgen opnieuw je laten wekken. Je oor laten openen voor wat de Heer je zeggen wil. Die houding van aandacht en eerbied mag je van daaruit meenemen de dag in. Om door de dag heen in wat zich aandient en voordoet. De momenten te herkennen waarin de melodie klinkt. Een appél dat wordt gedaan op jou, op mij. Dat je daarin leert zien wat dan het juiste is. En dat je je dan niet verzet, niet terugdeinst maar er van harte gehoor aan geeft. Dat is leven zoals Jezus’ leerlingen doen.

Met dank aan: Marleen Hengelaar-Rookmaker (Artway beeldmeditatie 16 juli 2017)

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie