Jezus in Bubbelonië (Johannes 3:1-21)

(Johannes 3:1-21 – Luisterlied: God of the moon and stars, Kees Kraaijenoord)

Ergens op een boerenerf op een klein stukje grond achter een dikke muur leeft een groepje tamme ganzen. Ze leiden een veilig, comfortabel en overzichtelijk bestaan. Ieder pikt elke dag zijn graantje mee. Op een dag strijkt tussen deze tamme ganzen van over de muur een wilde gans neer. Hij ziet wat voor leven deze ganzen leiden. En hij vertelt de tamme ganzen over een ander leven. Dat er meer is dat het tamme, suffe bestaan hier op dit kleine stukje grond achter dikke muren. Hij legt hen uit dat ganzen van oorsprong trekvogels zijn. Dat hun vleugels bedoeld zijn om uit te slaan en zich zo mee te laten nemen door de wind.

De tamme ganzen vinden deze wilde gans een mooie gast. Elke dag verzamelen ze zich rond hem. Ze genieten van zijn inspirerende verhalen. Wat een spreker is die gans! Wat een passie en enthousiasme! Sommige tamme ganzen beginnen een gesprekskring waarin ze de verhalen van de wilde gans analyseren. Een van de tamme ganzen begint een blog ‘the wild life’ En een andere tamme gans schrijft een mooi liedje over zweven op de wind en zo. Het wordt een hit. En soms als er hoog boven hen wilde ganzen overtrekken fladderen ze dicht bij de grond een klein stukje mee tot aan de muur en daar stopte het dan weer. En hoe druk de tamme ganzen met dit alles ook zijn. Aan één ding zijn ze eigenlijk nooit toegekomen. Nooit heeft één van hen werkelijk de vleugels uitgeslagen. Geen enkele tamme gans laat zich echt meenemen door de wind. Geen van de tamme ganzen heeft ooit leren vliegen. Geen van hen is ooit echt begonnen aan dat andere leven. Diep van binnen blijven ze de tamme gans die ze altijd al waren.

Dat was de fabel van de ganzen. Nu lees ik met jullie uit Johannes 3. Vraag jezelf eens af hoe de fabel van de ganzen past bij dit Bijbelgedeelte en de preek. Zet ze in je hoofd naast elkaar en kijk of je overeenkomsten ziet.

Vorige keer zagen we dat Jezus een Samaritaanse vrouw ontmoet bij een put, een vrouw die eigenlijk overal buiten stond. Zo iemand noemen we een outsider. En vanmorgen ontmoet Jezus juist iemand die de wereld van geloof en van God heel erg goed kent, een expert, een insider dus. Deze twee ontmoetingen vormen een tweeluik. Jezus zoekt contact en is gekomen voor zowel outsiders en insiders.

Schriftlezing

Hebt u wel eens van Bubbelonië gehoord? Peter Henk Steenhuis, filosofie-redacteur van TROUW noemt onze samenleving zo: Bubbelonië. Een samenleving die bestaat uit een hele verzameling losse bubbels. Wereldjes die niet of nauwelijks met elkaar verbonden zijn. In onze tijd hebben we kennelijk de neiging om kleine, veilige, overzichtelijke wereldjes te creëren. Een wereldje waar je dan ‘jouw soort mensen’ ontmoet. Een wereldje met eigen codes, een eigen taal vaak ook.

Op zich is daar niet zoveel mis mee. Het valt best te begrijpen ook. De wereld waarin wij leven Is hectisch en complex. Er komt ontzettend veel op je af. Het helpt als je je kunt terugtrekken in een cocon, een bubbel. Waar je even kunt niets hoeft met al het andere. Ieder kiest zo zijn eigen bubbels en cocons. Thuis, of in een hechte vriendenkring. In een scene van mensen met dezelfde passies. Soms in de werkelijkheid, vaak ook in de virtual reality. Online-games, sociale media, je favoriete Netflix-series etc.

Zolang je je er bewust van bent in welke bubbel je je bevindt, is er weinig aan de hand. Het gaat mis als je zozeer opgaat in je eigen wereldje dat je vergeet dat het slechts een deel is van de werkelijkheid. Het gaat mis als je je niet meer kunt verhouden tot mensen buiten jouw bubbel, mensen die anders denken, anders leven. Je leeft dan in een soort van schijnwereldje waarin je alles door die ene bepaalde bril bekijkt. En je raakt de verbinding met de realiteit steeds meer kwijt.

Geloof, een kerk kan ook een wereldje op zich worden. Met een heel eigen taalveld, een eigen sfeer. Een soort van bubbel die letterlijk losgezongen raakt van de weerbarstige, ongepolijste, ruwe buitenwereld. Een cocon waar insiders zich helemaal happy voelen maar die op gasten en nieuwkomers, een vervreemdende uitwerking heeft. Goed om van tijd tot tijd een reality-check te plegen. Met de ogen en oren van je niet-gelovige buren of collega naar je kerk en je geloof te kijken. Kunnen zij daar ook iets mee, of is het teveel een vreemd en raar eigen wereldje, een cocon geworden?

Bubbelonië is niet per se alleen iets van onze tijd. We proeven er iets van bij Nicodemus. Hij behoort bij de bubbel van Farizeeërs, in die tijd een soort van geestelijke elite. Ze zijn stevig geworteld in een waardevolle traditie. Kennen hun klassiekers, hebben hoge standards. Ze zijn het geweten, het morele kompas van hun tijd. Het zijn de godsdienstige insiders, gepokt en gemazeld in de wereld van God en geloof.

Deze Nicodemus heeft in de gaten dat er buiten zijn eigen bubbel iets gaande is. Hij hoort over Jezus van Nazareth, over zijn wonderlijke, krachtige optreden, zijn spraakmakend onderwijs. En hij zoekt contact met Jezus. Een mooie vorm van netwerken. Hij doet dat subtiel door Jezus ’s nachts op te zoeken. Zo raken de anderen in zijn bubbel niet van de leg. En hij probeert Jezus een plaats te geven in zijn eigen denk- en leefwereld. Zijn cocon. Het is een kundig netwerker en geeft Jezus alle credits. Rabbi, zegt hij, wij weten dat u een leraar bent die van God gekomen is. Wij weten, dat is typisch taal uit Bubbelonië. Denken vanuit je eigen frames en kaders en de ander van daaruit bezien en beoordelen.

Maar Jezus is niet van de bubbels en cocons. Keer op keer zet hij zulke schijnwereldjes op zijn kop. De buitenstaander die in geen enkele bubbel past, staat bij Jezus ineens in het midden van de kring. Dat zagen we twee weken geleden bij de Samaritaanse. En de insider, die denkt te weten van de hoed en de rand, blijkt tot zijn verbijstering ineens een buitenstaander te zijn. Dat gebeurt hier bij Nicodemus, die uitgaat van zijn eigen weten en ergens het idee heeft dat Jezus daarin inpasbaar is. Een interessante connectie in zijn uitgebreide netwerk.

En Jezus blaast met één zin, één beeld dit hele Bubbel-denken omver: waarachtig, ik verzeker u, alleen wie opnieuw wordt geboren kan het koninkrijk van God zien. (vers 3) En even later voegt hij er aan toe in vers 5: waarachtig, ik verzeker u, niemand kan het koninkrijk binnengaan tenzij hij geboren wordt uit water en Geest. Het raakt aan wat we Johannes al aan het begin van zijn evangelie schrijft. Over het voorrecht om kinderen van God te worden, niet op natuurlijke wijze geboren, maar uit God. (1,13) En hier in hoofdstuk drie komt dat beeld terug: wat geboren is uit een mens is menselijk en wat geboren is uit de Geest is geestelijk. (3,6)

Nicodemus begrijpt het hele beeld niet zo. En Jezus geeft er wat meer woorden aan: de wind waait waarheen hij wil. Je hoort zijn geluid maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat. Zo is het ook met ieder die uit God geboren is. (vs. 8) Jezus speelt met het Griekse woord pneuma dat zowel Geest als wind als adem kan betekenen. Door dat woord te gebruiken herinnert hij Nicodemus aan het Oude Testament. Aan het allereerste begin toen Gods zijn pneuma, zijn adem over de oervloed liet gaan en nieuw leven schiep. Aan het moment dat God de mens boetseerde uit stof en klei en toen in zijn neusgaten het leven inblies. Aan het visioen in Ezechiël 37 waar God leven blaast en dode botten en beenderen zich vormen tot lichamen met vlees en pezen en een huid. Lichamen die opstaan en tot leven komen. Mensen die in Ez. 36 in plaats van een hart van steen een zacht en levend hart ontvangen en een nieuwe geest. Hier in gesprek met Nicodemus pakt Jezus deze lijn op als hij zegt: Waarachtig, ik verzeker u, niemand kan het koninkrijk binnengaan tenzij hij geboren wordt uit water en Geest, wind, levensadem.

Het beeld van een nieuwe geboorte legt een grondpatroon open van het christenleven. Het is de beweging vanuit de baarmoeder door het geboortekanaal de wereld in. In de baarmoeder is alles warm, zacht en stil. Is het volkomen veilig, comfortabel en zonder pijn.  Wordt iedere behoefte meteen vervuld.

Buiten de baarmoeder is het niet langer afgeschermd. De cocon opent zich, de bubbel verdwijnt. Er is kou, lawaai, licht, honger, dorst, kramp. Je hapt naar adem, je moet vechten en wachten en niet alles wordt meteen vervuld en opgelost. Maar juist daarbuiten, in die riskante werkelijkheid, daar leer je je moeder kennen en je vader en je familie. Mag je groeien, ontwikkelen, ontdekken. En dwars door alles heen worden zoals je bent bedoeld. Zo is het ook met ons christenleven, ons geloof. Het kan niet gedijen in welke bubbel dan ook. Het ontwikkelt zich in de weerbarstige werkelijkheid van de kleine en grote dagelijkse dingen die we tegenkomen. En zo ontdekt je wie je Schepper is en wie jijzelf mag zijn

Laat het beeld op je inwerken. Het beeld van God die mensen geboren doet worden. God noemt zichzelf de barmhartige. En dat woord kun je ook vertalen met ‘de baarmoederlijke’. In Jesaja 42,15 lezen we over deze God: Ik schreeuw het uit als een barende vrouw, Ik zucht en zwoeg tegelijk. In Romeinen 8 horen we Gods Geest zuchten samen met de schepping ‘als bij geboorte weeën’. Soms hoor je daar iets van in en om je heen. Misschien vandaag wel bij de klimaatmars: Het zuchten van de Geest als bij geboorte weeën. God is niet de kille afstandelijke onbewogen God. Hij vergelijkt zichzelf met een moeder die geboorte geeft

Gods hart is als een kraamkamer, hoor het zuchten, kreunen, schreeuwen, huilen. Voel de weeën, de pijnscheuten, de stuwingen. Zie het bloed, het zweet, de tranen, het offer, de overgave. Aan het einde van dit gesprek over een nieuwe geboorte. Wordt de aandacht van Nicodemus gericht op Jezus zelf hangend aan een kruis, hoogverheven. Zoals ooit in de woestijn, toen er giftige slangen waren en Mozes een koperen slang hoog verhief. En ieder die naar deze koperen slang opkeek, ontving een nieuw leven, werd opnieuw geboren. Zo wordt hier het kruis al even opgericht. Hoogverheven hangt daar de baarmoederlijke God. Die zichzelf geeft tot het uiterste. Hij verliet de bubbel van zijn goddelijke glorie en was bereid af te dalen in een gewonde en gebroken wereld. Was bereid hier het vuile werk te komen doen. Alles te geven, het offer te brengen, ons verzet te verdragen

Hij hangt hier hoogverheven tussen Nicodemus en de Samaritaanse, tussen de tamme en de wilde. Voor beiden is hij gekomen. Beiden drukt hij aan zijn hart. Ons hele menselijke bestaan omarmt hij. Om het te verzoenen, te redden, te vernieuwen. Nicodemus glipt hier ergens in het gesprek weer weg in de nacht. Maar het proces van een nieuwe geboorte zet zich bij hem door. Hij wordt steeds openlijker in zijn keuze voor Jezus. In Johannes 7 neemt hij het tussen zijn collega’s op voor Jezus. En in Johannes 19 is Nicodemus een van de volgelingen die zorg draagt voor het lichaam en het zalft met kostbare olie en kruiden. Hij heeft zich langzaam maar zeker uit zijn bubbel laten duwen en trekken

Hoe zit dat bij u, bij jou, bij mij? We zijn begonnen aan de veertigdagentijd. Van ouds een tijd van zelfonderzoek en reiniging. Van afleggen, loslaten en van een nieuw begin. Welke cocon mag worden opgebroken? Welke bubbel zou ik achter me mogen laten? Waar en hoe mag ik mijn geloof omzetten in handelen? Vuile handen maken, God en de ander dienen in de realiteit? De vleugels uitslaan en me mee laten nemen door de wind van Gods Geest. Kies deze veertig dagen voor een nieuwe, intensere concentratie op Jezus. Op de weg die hij is gegaan om alle dingen nieuw te maken. Ontmoet in Hem vanmorgen de baarmoederlijke God. Voel het verlangen, voel de samentrekkingen. Voel het stuwen, het duwen, de weeën van Gods Geest. Vertrouw je eraan toe, staak je verzet. Laat los, ontvang, geef je eraan over. Het is hoog tijd voor een nieuw begin.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie