Jezus’ afscheidskado (Joh. 13:1-17)

(Joh. 13:1-17, 34-35 – luisterlied: Was mij- Marco Borsato)

 Als een leider vertrekt, wat laat hij dan achter? Wat geeft hij aan zijn opvolger? Als de minister-president vertrekt geeft hij zijn opvolger de sleutels van het torentje. De werkplek van de premier. Een voorzitter die vertrekt drukt zijn opvolger de voorzittershamer in handen. De profeet Elia laat bij zijn vertrek voor Elisa zijn profetenmantel achter. Sleutels, een voorzittershamer, een profetenmantel. Het zijn symbolen van macht, gezag, autoriteit.

Jezus is ook een vertrekkende leider en hij draagt zijn missie over aan zijn leerlingen. Zij zullen zijn werk gaan voortzetten. Wat hij ze nalaat als afscheidskado, is nogal bijzonder. Het is een doek. Een teiltje water en een simpele doek. Hou dat beeld even vast jongens en meisjes. Ik kom en er zo nog even op terug.

Schriftlezing: Johannes 13:1-17 en 34-35)

Ergens snap je de reactie van Petrus wel. Dat hij zijn voet terugtrekt en liever niet heeft dat Jezus zijn voeten wast. Als we vanmorgen een spontane voetwassing zouden doen zouden u en ik wellicht ook die terugtrekkende beweging maken. Eh, nou nee, liever niet, doe vooral geen moeite. Nee echt niet. Deels zal dat te maken hebben met schaamte. Een vriendin die pedicure is geweest vertelde me van de week dat veel mensen zich schamen voor hun voeten. Mannen nog wat meer als vrouwen. Voeten worden vaak verwaarloosd, niet goed verzorgd. Veel mensen hebben op hun voeten huidproblemen, vergroeiingen en andere onaantrekkelijke plekken. Waar we ons voor schamen.

In Bijbelse tijden reizen mensen te voet in eenvoudige sandalen over stoffige en rotsachtige wegen. Het levert voeten op die bedekt zijn door het vuil van de straat. Met kans op kneuzingen, wondjes, korsten, infecties en andere ongein. Voeten wassen is in die tijd zo’n vies karwei, zo vernederend dat slaven met een Joodse achtergrond ervan worden vrijgesteld. Het is een van die smerige klusjes die worden overgelaten aan buitenlanders, aan gastarbeiders. Wij zouden zeggen: aan pakweg een Pool, Bulgaar of Marokkaan.

Maar je kunt ook nog anders naar voeten kijken. De Amerikaanse theoloog Frederick Buechner zegt: Als je wil weten wie je echt bent, anders dan wie je denkt dat je bent, let dan op je voeten, kijk waar ze je brengen. Als je wil weten wie je echt bent, anders dan wie je denkt dat je bent, let dan op je voeten, kijk waar ze je brengen. En daar zit wat in. Het is een manier van denken die we ook tegenkomen in de Bijbel.

In Jesaja 52,7 lezen we: hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van hem die het goede boodschapt. Er staat niet: hoe liefelijk zijn de lippen, of de ogen. Ook niet: hoe liefelijk is de boodschap die hij brengt. Maar: hoe liefelijk zijn de voeten van hem die het goede boodschapt. De voeten, waarmee hij de lange tocht over de bergen heeft gemaakt. Zonder zijn voeten had de goede boodschap ons niet bereikt. Het begon bij de boodschapper ongetwijfeld bij inspiratie in zijn geest, zijn hart, zijn ziel. Maar de vraag of hij aan de inspiratie echt gehoor geeft, of hij er ook echt iets mee doet wordt uiteindelijk beantwoord door zijn voeten. Of hij er ‘handen en voeten’ aan geeft. Daarom: hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van hem die het goede boodschapt.

Opvallend, als Jezus’ leerlingen op Paasmorgen de opgestane Heer ontmoeten, lezen we: ze grepen zijn voeten en aanbaden hem. Ze raakten niet als eerste zijn handen aan die hen hadden gezegend. Ook niet zijn lippen die hen hadden onderwezen. Niet zijn ogen die hen hadden gezien. Nee, wat we lezen is dit: ze grepen zijn voeten. Zijn voeten die Hem op een goede dag hun pad hadden gekruist aan het meer van Galilea. Zijn voeten die Hem de hele weg van Galilea naar Jeruzalem hadden gedragen. Zijn voeten waarmee hij hen tot het uiterste had liefgehad en uiteindelijk Golgotha had beklommen om te gaan doen wat gedaan moest worden.

Buechner heeft echt een punt als hij zegt: Als je wil weten wie je echt bent, anders dan wie je denkt dat je bent, let dan op je voeten, kijk waar ze je brengen. De voeten van de leerlingen aan deze tafel vertellen ook iets van wie zij ten diepste zijn. Het zijn de voeten van Judas, die even later de nacht in sluipen om Jezus te verraden voor een paar rotcenten. Het zijn de voeten van Petrus die niet sterk genoeg zullen zijn, niet staande zullen blijven. Ze zullen wankelen, zwikken, struikelen en hard vallen als Petrus zijn band met Jezus glashard zal ontkennen. Het zijn de voeten van Jakobus en Johannes die te slap, te week blijken te zijn. Straks zullen zij in Getsemane niet waken met Jezus maar in slaap sukkelen en Hem alleen laten. Het zijn de voeten van Thomas, de twijfelaar, waarmee hij straks zal blijven steken in twijfel, afwezig is en zo Jezus dreigt mis te lopen.

En Jezus neemt juist heel bewust déze voeten één voor één en stuk voor stuk in zijn handen, en wast ze. Aandachtig, zorgvuldig en liefdevol. De voeten die vertellen wie deze mannen zijn. Niet wie deze mannen denken dat ze zijn, maar hoe ze werkelijk leven, met hun dwaalwegen en misstappen. Met wat in hun leven is verwaarloosd, bevuild en vergroeid. Met de harde eeltlaag, de kneuzingen, de wonden. Met alles wat zij verbergen en zich voor schamen.

Tegen de tegenstribbelende Petrus zegt hij: wat ik doe, begrijp je nu nog niet, maar later zul je het wel begrijpen. Petrus denkt dat het een om een rituele reiniging gaat. En blijft zo teveel aan de oppervlakte, de buitenkant. Johannes, de evangelist heeft het wel gezien. Hij heeft nauwkeurig waargenomen en beschrijft bijna in slow-motion wat er gebeurt. Jezus stond tijdens de maaltijd op. Hij legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om, en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek die hij omgeslagen had. (4-5)

Hij legde zijn bovenkleed af. Precies datzelfde woordje ‘afleggen’ komen we nog twee keer tegen bij Johannes. In Johannes 10: de goede herder legt zijn leven af voor de schapen. In Johannes 15:13: Er is geen grotere liefde dan je leven af te leggen voor je vrienden. Jezus legt hier dus zijn kleding af. En verwijst zo naar Golgotha waar hij van zijn kleding zal worden gestript. naakt en ontdaan van iedere waardigheid zijn leven zal afleggen voor de wereld.

Johannes heeft gezien wat Jezus hier duidelijk wil maken. Deze voetwassing is voor Johannes het kernmoment. Hij beschrijft niet zoals de andere evangelisten de viering van het avondmaal met brood en wijn. Maar richt onze aandacht volledig en nadrukkelijk op wat hier gebeurt bij de voetwassing van de leerlingen.

Begrijpen jullie wat ik gedaan heb, vraagt Jezus dan. Dat ik jullie leven zie zoals het is. Niet hoe jij denkt dat is het is. Maar dat wat jij daadwerkelijk laat zien. In je doen en laten, in hoe je kiest met je voeten. Je dwaalwegen, je misstappen, de zijsporen. De harde plekken, de kneuzingen, de wonden. Wat in je leven je vervuld is, verwaarloosd, vergroeid. Ik zie het, ik raak het in liefde aan. Ik leg mijn leven af voor jou. Wil jou dienen, jou wassen, jou vernieuwen. Trek je nu niet terug, maar laat je aanraken. Laat je veranderen door mijn liefde voor jou. En toon jij dan op jouw beurt mijn liefde aan de ander.

Vandaar die witte doek, jongens en meisjes. Dat teiltje water en die simpele witte doek. Zo’n doek waarmee je alle vuile karweitjes doet. Je gebruikt het als luier, je droogt er de vaat mee. Je veegt er zweet mee weg, en stelpt het bloed uit iemands wond. Je wast er iemands vuile voeten mee en droogt ze af. Een teiltje water, een witte doek

Wat Jezus achterlaat voor zijn vrienden zijn geen symbolen van waardigheid en gezag. Het zijn de tools van een slaaf, een dienaar. Zo, als een dienaar, mogen we iets laten zien van de diepe liefde van een wonderlijke God. Die kwam, niet om te heersen maar om te dienen en zijn leven af te leggen voor mensen zoals wij.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie