Gods tent onder de mensen (Joh.1,14)

(Exodus 33:1-7; Exodus 40:34-38 en Joh. 1,14-18 – luisterlied: Esther Tims, Ik zal er zijn)

‘Het woord is vlees geworden en heeft onder ons zijn tent opgeslagen.’ Dat is wat Johannes betreft de komst van Christus in één zin. ‘Het woord is vlees geworden en heeft onder ons zijn tent opgeslagen.’ Letterlijk staat er: heeft onder ons getabernakeld. Door het juist zo te zeggen neemt Johannes ons mee naar vroeger tijden, naar de periode dat de Israëlieten 40 lange jaren als tentbewoners door de woestijn zwierven.

Het was ooit allemaal begonnen met een gesprek dat God begon met Mozes daar bij die brandende braamstruik. God zei: Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is. Ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord. Ik weet hoe ze lijden. Daarom ben ik afgedaald. Daarom ben ik afgedaald.. En dat afdalen heeft zich vervolgens in verschillende fasen voltrokken. Aanvankelijk blijft God zelf op afstand en stuurt hij Mozes als zijn vertegenwoordiger om de Israëlieten uit Egypte weg te leiden. Door Mozes heen maakt de Heer iets zichtbaar van wie hij is, zowel in zijn bewogenheid, geduld en goedheid als in zijn beslistheid, kracht, verhevenheid en glorie.

Als de Israëlieten Egypte achter zich laten en de woestijn in trekken, daalt God zelf echt af, zoals hij had gezegd. Er Is dan boven hen de heilige wolk. De wolk die voor hen uit trekt, soms ook hen dekt in de achterhoede. Deze machtige kolom van wolken verandert ’s nachts in een enorme vuurzuil en vergezelt hen dag en nacht. Er gaat van deze wolk iets geruststellends uit. De wolk geeft beschutting en leiding onderweg en vertegenwoordigt zo iets van Gods zorg, Gods hart dat zo uitgaat naar deze karavaan van bevrijde slaven. Deze wolk heeft iets van een uitnodiging om het met deze God te wagen, hem in alles te vertrouwen

En tegelijk heeft die wolk iets verhullends. Het is een soort van heilige buffer. God verbergt zijn imponerende glorie en majesteit, Zijn heerlijkheid in deze wolk. En als hij in die wolk afdaalt tot op de toppen van de Sinaï moeten de Israëlieten onder aan de berg blijven. Er is daar rond die wolk vuur en rook. Het licht en het rommelt daar hoog in de bergen en mag alleen Mozes namens hen die donkere wolk in om daar als sterveling de God te ontmoeten die een ontoegankelijk licht bewoont. Die de Gans Andere is, verheven en heilig.

In die wolk spreekt God met Mozes als met een vriend en vertelt Hij hem dat hij vriendschap wil sluiten met de Israëlieten, een verbond wil aangaan. En daar, hoog in de bergen, laat God weten dat Hij verder wil afdalen, van de berg naar het dal. Dat hij echt te midden van de mensen wil komen wonen. Mozes en de Israëlieten mogen een soort mobiel heiligdom maken die de tent van ontmoeting wordt genoemd. Hoofdstukken lang lees je zeer gedetailleerde instructies over de tent zelf en de zorgvuldige manier waarop deze ruimte zal worden ingericht. Het gaat over voorhoven en heiligdommen. Over altaren, wasvaten, tafels en lampenstandaards. Over een voorhangsel, een gouden ark, een verzoendeksel bewaakt door gouden engelfiguren waar de Heer zal afdalen en komen wonen. Maar hoe vol deze tent ook is van symboliek en rituelen, er staat in deze ontmoetingstent geen beeld van God. Daar tussen die cherubs boven het verzoendeksel. Daar is een heilige leegte, die ruimte laat voor het mysterie, het geheim van Gods aanwezigheid.

En precies met die leegte, met dat mysterie kunnen de Israëlieten onder aan de berg moeilijk omgaan. Mozes zit daar hoog in de bergen. Hij luistert en noteert zorgvuldig Gods aanwijzingen. Hij is zeg maar de eerste die ‘in the cloud’ werkt. Maar onderaan de berg in het dal danst het volk al lang en breed rond een gouden kalf dat zij zelf gemaakt hebben. Zij willen iets in handen hebben, grip hebben op God,  controle houden.

Er lijkt dan iets te knappen in God. Hij maakt een terugtrekkende beweging. Is eigenlijk klaar met dit volk. Mozes springt op de bres voor zijn mensen. Stelt daar beneden in het dal orde op zaken en beklimt dan opnieuw de hoogten van de Sinaï en weet God op andere gedachten te brengen. Als Mozes dan weer terug is in het tentenkamp en orde op zaken heeft gesteld doet hij iets heel gewaagds. Zonder instructies van de Heer en geheel op eigen initiatief richt Mozes ver buiten het tentenkamp een simpele en geimproviseerde tent van ontmoeting in. En iedere keer als Mozes het tentenkamp verlaat en naar deze interim-ontmoetingstent loopt gaan alle Israëlieten voor hun tenten staan. En zien zij hoe daar de heilige wolk neerdaalt van de bergtoppen en rust op een simpele tent in de nabijheid van mensen. Die deze God pijnlijk hebben bezeerd en gekrenkt. Die hem het bloed onder de nagels vandaan halen met hun voortdurende gemurmureer en een schromelijk gebrek aan vertrouwen.

En opnieuw proef je in deze presentie iets van nabijheid en afstand, van goedheid en waarheid. De tent staat nadrukkelijk niet tussen de andere tenten. Daarvoor is er teveel gebeurd. En tegelijk staat daar wel die tent zichtbaar en toegankelijk. Ieder die de Heer wil raadplegen moet heel bewust diezelfde gang maken voor het oog van iedereen het kamp verlaten en over de kale vlakte naar de ontmoetingstent gaan om daar de Heer te ontmoeten.

Intussen begint in de tijd erna de bouw van de eigenlijke tent van ontmoeting. Met veel toewijding en aandacht wordt alles precies uitgevoerd zoals de Heer het Mozes had gevraagd. En op zekere dag staat daar midden in het tentenkamp dé ontmoetingstent, de tabernakel. En dan daalt daar voor de eerste keer de wolk van de Heer neer tot in het tentenkamp, tot onder de mensen en wordt de hele tabernakel vervuld van Gods majesteit, glorie en heerlijkheid. Zozeer dat zelfs Mozes er niet naar binnen kan gaan.

God heeft zijn tent opgeslagen onder de mensen. Over deze ontmoetingstent schrijven de rabbijnen: ‘God moet er wel enorm naar verlangen om onder de mensen te zijn als hij zulke minimale omstandigheden accepteert. Als God het Mozes niet zelf had bevolen had geen sterveling het aangedurfd om voor de schepper van hemel en aarde zo’n stulpje te bouwen’ Een stulpje noemen de rabbijnen deze ontmoetingstent. En terecht, want hoe kostbaar de materialen ook zijn en hoe rijk de symboliek ook is. Het is en blijft niet meer dan tent, een wat schamele verblijfplaats die zomaar kan worden afgebroken of omver geblazen. Het tentdoek kan zomaar scheuren, de tentstokken knappen.

Het is nadrukkelijk een tent tussen vele andere tenten. En daarmee deelt deze heilige tent het lot van de anderen. Zo reist de machtige God mee met een groepje ontheemde vluchtelingen, op zoek naar een hoopvolle toekomst. Toen en ik ook nu. De plaat bij deze preek laat een tentenkamp zien op een Grieks eiland. Waar vluchtelingen een armzalig tentje hebben opgeslagen en hopen ooit op een veilige en goede plaats te mogen thuiskomen.

Deze heilige tent, opgeslagen onder de mensen daar in de woestijn, zal de hele reis gaan meemaken. De stormen en de stilte, de hitte en de kou. De uitputting en de rust, de sleur en de strijd, de zegeningen en het gezanik, de nederlagen en overwinningen, het falen en het succes, de verwijdering en de verzoening, het verzet en de overgave, de vrees en het vertrouwen, de opluchting en het sjagrijn, het verdwalen en het thuiskomen. Deze heilige tent zal het allemaal over zich heen krijgen. Er dwars door heen gaan net als de hele karavaan.

Dat is waar Johannes aan denkt als hij schrijft: Het woord is vlees geworden en heeft onder ons zijn tent opgeslagen. Deze God die hier afdaalt tot in het tentenkamp wil in Christus nog verder afdalen en zelf een breekbaar mensen kind worden. Ver van de troon der tronen en ’s hemels zonneschijn. Wilt g’onder mensen wonen, der mensen broeder zijn. Der mensen broeder, dat is mooi gezegd. Maar Johannes zegt het net nog iets anders. Niet: het woord is mens geworden. Maar: het woord is vlees geworden. Door heel bewust dit woord ‘vlees’ te gebruiken steekt hij een spade dieper af. Vlees staat voor het fragiele, kwetsbare menselijke bestaan. Vlees staat voor onze nietigheid en sterfelijkheid. Dat daarbij ook is beschadigd, gebroken, aangetast door ons tekortschieten, ons falen, ons onvermogen, onze onwil. In dit geschonden en gebroken bestaan daalt God af, slaat hij zijn tent op. In deze miserie daalt hij af, komt hij delen. Maakt hij iets zichtbaar van de heerlijkheid en glorie van God.

Het woord is vlees geworden en heeft onder ons zijn tent opgeslagen. Vol van goedheid en waarheid. Net als bij Gods presentie in de woestijnjaren is er steeds die wonderlijke mix van nabijheid en distantie. Johannes noemt dat: goedheid en waarheid. Wij mensen maken die twee vaak los. Soms gaan we vol voor de waarheid. Dan hebben het over ‘de ander ongenadig de waarheid zeggen’. Op andere momenten zetten we al onze kaarten op goedheid en verliezen we de waarheid weer gemakkelijk uit het oog. Dan gebruiken we van die veelzeggende zinnetjes als: ‘wees in vredesnaam wel een beetje genadig’. Maar als God afdaalt om ons bestaan te delen is hij vol van goedheid én waarheid. Goedheid houdt bij hem altijd de spanning van de waarheid. En waarheid bewaart de mildheid van zijn goedheid. En wie God in deze gestalte in het vlees ontmoet doet die wonderlijke ervaring op. Er wordt iets in je blootgelegd, onthuld, ontmaskerd. En tegelijk wordt je door hem omhuld, omgeven, omarmd, aanvaard. Er is in een ontmoeting met deze mensenzoon altijd iets scherpte én verzachting.

En als je met deze God optrekt, Hem leert kennen mag je van Hem leren om mee te gaan in dat afdalen. Niet op afstand te blijven, maar te zijn waar die ander is. Wij zijn zelf vaak meer gericht op klimmen, op opklimmen, onszelf bewijzen en laten zien, ons profileren en kwalificeren en onderscheiden ten opzichte van de ander. En daar zit ook iets waardevols in. En gezonde dosis ambitie leidt tot veel goeds. Maar let op, want je hebt alle kans dat je , terwijl je zelf druk aan het klimmen bent, je ergens halverwege de Heer tegenkomt, die veel meer heeft met afdalen…

Ik las pas over Henk die fietsenmaker is. Hij stelt zijn werkplaats al jarenlang open voor jongeren met een rugzakje. Je weet wel, van die types met piercings, tatoo’s, een kap over het hoofd, oortjes in met doffe dreunen en een lege blik in de ogen. Zij hebben het vaak ernstig verknald en krijgen bij hem een nieuwe kans. Leren van een vakman fietsen en brommers te repareren. Maar Henk is meer dan een vakman. Hij staat dichtbij deze gasten, leest wat zij echt nodig hebben. Bij hun thuis wordt gescholden en geslagen of is er geen tijd Henk is er voor hen, straalt rust uit en aandacht. Wijst waar ze kunnen beginnen, geeft hen gereedschap en ook de ruimte om dingen uit te proberen. Neemt alle tijd om te laten zien hoe zo’n fiets of brommer nu eigenlijk in elkaar zit. Henk verplaatst zich in hen, staat naast hen. Hij holt niet vooruit maar wijdt hen stap voor stap in in het vak en eigenlijk ook in het leven.

Henk is een stevig houvast voor deze gasten. Want zelf doet hij wat hij zegt. De discipline die hij van hen vraagt: op tijd opstaan, afspraken nakomen. Daarin is hijzelf het voorbeeld. Hij is er altijd, op hem kun je rekenen. Hij belichaamt wat hij de jongens leert. Het is geen leren op afstand, Henk leeft daar tussen die jongens en trekt iedere dag intensief met gen op. Het is een soort van meester-gezel verhouding.

Voor deze jongens die uitgekotst zijn geschorst, verwijderd, onhandelbaar, niet passend in een systeem wordt de werkplaats van Henk de fietsenmaker iets van een eigentijdse tabernakel. Ze leren er dat ze iets kunnen, iemand kunnen zijn en iets kunnen betekenen voor een ander. Dat ze nodig zijn, dat er op ze wordt gerekend en gewacht. Dat er mensen zijn voor wie het uitmaakt hoe het met je gaat. Die je steunen ook en juist als het moeilijk is en je voor de zoveelste keer in de shit zit.

Zo is God onder de mensen gekomen. Niet langer vanuit de hoogte, maar tussen ons in, als één van ons. Het woord is vlees geworden en heeft onder ons zijn tent opgeslagen. Vol van goedheid en waarheid en wij hebben zijn grootheid gezien. Het begon allemaal bij een God die een gesprek aanknoopte met een sjofele herder en zei: Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is. Ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord. Ik weet hoe ze lijden. Daarom ben ik afgedaald..

God is niet hoog en ver, en blijft niet op afstand. Hij is een God die niets anders kan en wil dan afdalen. Zo, op deze wijze is God onder ons gekomen. Om ons heel praktisch en in kleine stappen in te wijden in het wonderlijke geheim van God. Van de liefde die Hem bezielt en Hem doet afdalen en ons in die beweging wil meenemen om voor elkaar en de ander echt een broer, een zus te zijn. In Jezus naam.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie