Gods schoonheid (Exodus 33,18)

(Exodus 33: 12-23 en Markus 9:2-8 – luisterlied: Prachtige God)

De kerkvader Augustinus leefde in de 4e/5e eeuw. Veel van wat hij opschreef is bewaard gebleven en heeft sindsdien in alle tijden snaren geraakt bij christenen. Een mooi voorbeeld hiervan is het volgende gebed dat over de hele wereld bekend en geliefd is. Ik citeer er enkele regels uit. Laat heb ik U lief gekregen, schoonheid zo oud en zo nieuw, laat heb ik U lief gekregen. Zie, U was binnen en ik was buiten (…) U was met mij, maar ik was niet met U (…) U hebt geroepen en geschreeuwd, en mijn doofheid doorbroken. U hebt me met uw licht overstraald, en mijn blindheid verdreven. U hebt mij met uw geur verleid, ik heb haar ingeademd en zucht naar U. Ik heb U geproefd, en ik honger en dorst naar U. U hebt mij aangeraakt, en ik brand van verlangen naar uw vrede.

Laat heb ik u lief gekregen. Schoonheid zo oud en zo nieuw. Augustinus heeft een groot deel van zijn leven zonder God doorgebracht. En als hij God vindt of beter gezegd: als God hem vindt realiseert hij zich dat de schoonheid van God tijdenlang volstrekt langs hem heen ging terwijl die al die tijd zo dichtbij was.

Augustinus richt zich in dit gebed vooral op de schoonheid van God. Laat heb ik U lief gekregen, schoonheid zo oud en zo nieuw. Augustinus en andere kerkvaders en oude denkers kijken naar het leven met een 3d-bril. Zij zien altijd drie dimensies: waarheid, goedheid en schoonheid. En van het ware, het goede en het schone is God de bron. God is zelf de ware, de goede, de schone.

Over de goedheid van God gaat het best vaak in de kerk. We hebben het dan over Gods genade en goede gaven en strekken ons uit naar zijn zegen over ons leven. En bij het goede denken we dan ook aan wat we als goed zien en wat we afwijzen als fout. We proberen daarin grenzen te bepalen. Ook waarheid is iets waar we het wel over hebben. We denken dan aan Gods betrouwbaarheid. Dat God niet kan liegen en doet wat Hij belooft. We proberen ook te onderscheiden tussen wat waarheid is en wat niet. Iets daarvan leggen we vast in belijdenissen en dogma’s.

Ja, over goedheid en waarheid komen wel in beeld. Maar hoe zit het met het schone, het prachtige? Hebben we ook oog voor de schoonheid van God? Dat is wel waar Augustinus in dit gebed vol van is. Laat heb ik U lief gekregen, schoonheid zo oud en zo nieuw. Verderop in dit gebed zoekt hij naar woorden om iets weer te geven van wat dan precies die schoonheid van God is. Heel zintuigelijk beschrijft Augustinus wat hij ervaart in zijn omgang met God. Het roept iets in hem wakker. Het opent ogen, het verleidt, het wekt honger op en dorst en ontsteekt vooral een diep verlangen. U hebt geroepen en geschreeuwd en mijn doofheid doorbroken. U hebt me met uw licht overstraald en mijn blindheid verdreven. U hebt mij met uw geur verleid, ik heb haar ingeademd en zucht naar U. Ik heb U geproefd en ik honger en dorst naar U. U hebt mij aangeraakt en ik brand van verlangen naar uw vrede.

Dit genieten van de schoonheid van God en vooral ook het verlangen ernaar proeven we ook in de vraag die Mozes stelt: Heer, toon mij toch uw heerlijkheid. Mozes heeft al heel veel van God ontvangen en gezien. Hij gaat met God om als met een vriend. Maar er is in hem een onuitblusbaar verlangen om God toch nog anders, dieper, intenser te kennen. Heer, toon mij toch uw heerlijkheid.

Het Hebreeuwse woord dat hier staat: kabod kan op vele manieren worden vertaald: heerlijkheid, glorie, eer, luister, nabijheid, grootheid. Letterlijk betekent het: zwaar zijn, gewicht hebben. Het duidt iets aan wat weegt, indruk maakt. En Mozes vraagt hiermee dus God zo te kennen dat het een indruk, een impressie achterlaat, dat het imponeert, een stempel zet op Mozes.Tot nu toe heeft God zich ook voor Mozes gehuld in de heilige wolk. En Mozes vraagt of God zich meer wil laten zien in zijn schitterende imponerende uitstraling, Zijn overweldigende pracht en glorie. Ongedoseerd, niet gefilterd, onverdund. Mozes heeft niet genoeg aan Gods goede gaven, zijn zorg en trouw, zijn goedheid en genade. Mozes heeft ook niet genoeg aan Gods waarheid. Gods wijze leefregels en betrouwbare beloften. Het gaat Mozes nu om God zelf in wie Hij is. Om Gods schoonheid en pracht, zijn schitterende wezen.

Wij leven in een andere tijd als Mozes. Inmiddels heeft God meer van zichzelf laten zien in Christus Jezus onze Heer. Hebreeën 1,3 noemt Jezus: de afstraling van Gods heerlijkheid. Of anders vertaald: in Hem schittert Gods luister. Johannes zegt in de eerste verzen van zijn evangelie: wij hebben zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de eniggeborene van de Vader vol van genade en waarheid. En Paulus voegt er aan toe in 2 Korintiërs 4,6: De God, die gezegd heeft: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen heeft in ons hart het licht doen schijnen om ons te verlichten met de kennis van zijn luister die afstraalt van het gezicht van Jezus Christus.’

Heel geconcentreerd zien we de heerlijkheid van Jezus oplichten in het gebeuren op de berg van de verheerlijking. Jezus neemt enkele van zijn leerlingen mee de hoogte op. En daar krijgt Jezus een helder witte glans. Zijn gezicht begint te stralen als de zon. Even zijn daar ook Mozes en Elia in gesprek met Jezus over de kruisweg die op hem ligt te wachten. Het is imponerend, het maakt grote indruk. We lezen dat de leerlingen niet weten wat ze moesten zeggen, ze waren door schrik overweldigd.

Iets in de leerlingen wil deze intense ervaring vasthouden. Het is goed dat we hier zijn Heer, laten we drie tenten opslaan. Maar dat is niet de bedoeling. Deze indrukwekkende impressie van hemelse goddelijke glorie wordt al weer snel getemperd en versluierd door een wolk en even later is alles weer voorbij en, zo schrijft Markus: ze keken om zich heen en zagen niemand meer behalve Jezus, die nog bij hen stond. Niemand, behalve Jezus, die nog bij hen stond. En in hun hart klinkt de echo van de hemelse stem: Dit is mijn geliefde zoon, luister naar hem. Het is een krachtige aanwijzing om Gods glorie vooral te zoeken en te leren zien in Zijn Zoon, in Jezus onze Heer.

En even later dalen ze de bergtop weer af om onderaan de berg meteen weer oog in oog te staan met gebrokenheid, boze machten en hun eigen kleine geloof. Het is opvallend dat Jezus juist op dit moment iets van zijn schitterende glorie deelt met zijn vrienden. Want meteen na deze bergtopervaring slaat Jezus nadrukkelijk de kruisweg in. Deze intense ervaring van Gods heerlijkheid is kennelijk niet bedoeld als een soort van mystieke vlucht uit de realiteit. Nee, ze is kennelijk bedoeld als een indruk op hun ziel om van daaruit met diepere overtuiging Jezus te volgen afdalend tot in het donkerste dal, volhoudend, elkaars lasten dragend tot het einde toe. Die ene zin is in deze ervaring diep in hun ziel gekerfd: dit is mijn geliefde zoon, luister naar hem.

Daar in het donkere dal zal Gods heerlijkheid nog veel dieper oplichten. Niet hangend in een roze wolk boven de realiteit. Maar in de duisternis en de afgrond van Golgotha. In de gestalte van diepe, diepe barmhartigheid. Nergens wordt de schittering en pracht van Gods liefde meer zichtbaar dan daar in de prins van de glorie die zijn leven geeft voor de ander en sterft aan een kruis. Wie daar eenmaal geweest is, aan de voet van het kruis, reist daarna anders verder. Geraakt, bewogen.

Dat is ook wat we zien bij Mozes. Hij vraagt om een verdiepte kennismaking met God juist omdat hij zo opziet tegen de toekomst om weer verder op weg te gaan met deze Israëlieten die zo hardnekkig zijn, zo snel in de moppermodus schieten en zo moeilijk de slaaf in zichzelf kunnen loslaten. Nog zoveel hebben te overwinnen in zichzelf om echt als vrije mensen te kunnen leven. Mozes ziet als een berg op tegen de woestijn die het menselijk bestaan toch vaak is. En verder lezend in Exodus zien we dat juist na deze verdieping in Mozes omgang met God er in zijn leven met God vaart komt en overtuiging. Er breekt echt een nieuwe tijd aan. Het verbond wordt vernieuwd, Mozes krijgt nieuwe instructies en richtlijnen mee. Hij begint met vele anderen aan de bouw van de tabernakel. En zal daarna de reis richting Kanaän vervolgen. En daar krachtig leiding aan geven. Het zien van Gods heerlijkheid is een bemoediging die hem de spirit geeft, de bezieling, de overtuiging. De focus en de moed om tot zijn bestemming te komen.

Voor veel christenen is geloof vooral een kwestie van gehoorzaamheid, dienstbaarheid en plichtsbesef. En veel christenen ervaren dat als vermoeiend. Vanmorgen leren we van Mozes een belangrijke les. Wie zich uitstrekt naar de heerlijkheid van God, mag ontdekken dat geloven aan de binnenkant vooral ook iets mag zijn van genieten. Van rusten, je verwonderen, jezelf verliezen in de aanbidding van deze prachtige God.

Niemand heeft dat genieten van Gods schitterende pracht dieper en fijnzinniger in woorden gevangen dan Augustinus. In zijn beroemde boek belijdenissen verwoordt hij het als iets wat je nooit kunt begrijpen of bevatten. Je kunt er niet precies de vinger opleggen. Je beschikt er niet over en hebt het nooit op zak. Augustinus schrijft: wat heb ik lief als ik u liefheb? Niet een mooi lichaam, geen schoonheid die voorbijgaat, geen licht dat onze ogen graag zien, geen mooie melodieën van allerlei liederen, niet de fijne geur van bloemen of van parfum of zalf, geen manna en geen honing, niet een lief lichaam om te omhelzen. Dat heb niet lief als ik mijn God liefheb.

En tegelijk heeft voor hem de heerlijkheid van God wel degelijk iets ervaarbaars, iets tastbaars. Zodat hij vervolgt: en toch heb ik wel zoiets lief als licht, zoiets als een stem, als een geur, zoiets als voedsel en een omhelzing, als ik mijn God liefheb: hij is licht en klank en geur en voedsel, hij is de omhelzing van mijn innerlijke mens, waar voor mijn ziel oplicht wat niet aan plaats gebonden is, waar klinkt wat de tijd je niet afneemt, waar een geur is die niet op de wind verwaait, waar smaken niet minder wordt door eten, waar omhelzing niet loslaat door verzadiging. Dit heb ik lief als ik mijn God liefheb.

Dat is hoe rijk en gelaagd het menselijk leven kan zijn als je de 3d-bril van geloof leert dragen. En in alle dingen iets van leert zien van Gods goedheid, waarheid en schoonheid. We zijn als gemeente aan elkaar gegeven om onszelf en de ander te leren zo te kijken. En het avondmaal is in het gemeenteleven een heel bijzondere oefening om ons te laten brengen in de modus van stil worden, ontvangen en genieten van de goedheid, waarheid en schoonheid van God.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie