Gevonden, gezien, geroepen (Joh. 1,35-52)

(Joh. 1:35-52; luisterlied: Martin Brand – Ik heb Jezus nooit gezien)

God roept mensen. Al op de eerste bladzijde van de Bijbel klinkt het indringend: Adam, mens, waar ben je? En sindsdien is die roep nooit verstomd. Abram, Mozes, Samuël, en vele, vele anderen hebben die stem gehoord en beantwoord. In het Oude Testament waren het nog enkelingen. Als God in Jezus onder de mensen komt wordt die roep van God verbreedt tot ieder die hij tegenkomt. De vier evangelisten vertellen het ons op iedere bladzijde van hun evangelie: God roept mensen, Jezus roept mensen.

De evangelisten kiezen daarbij verschillende invalshoeken. Matteüs, Marcus en Lucas vertellen vooral over mensen wiens leven door Jezus op zijn kop wordt gezet. Geroepen worden door Jezus is bij hen vooral weggeroepen worden, losgescheurd worden, opgeven, loslaten en weggaan uit wie je bent en wat je doet. De focus ligt bij hen meestal op wat je dan achterlaat. Johannes, de 4e evangelist, die zijn evangelie veel later schrijft, kiest een ander perspectief. Hij let vooral op waar je terecht komt als je geroepen wordt. Bij Johannes heeft geroepen worden door Jezus vooral iets van thuiskomen.

Johannes heeft het over Andreas en een ander die eigenlijk helemaal niet zo gehecht zijn, zo vast zitten. Het zijn veel meer zoekers die al een poos met Johannes de Doper hebben opgetrokken. Als zij over Jezus horen besluiten zij zelf om hem te volgen. Jezus vraagt hen: wat zoeken jullie? Hun antwoord is: Meester, waar woont U? Hun leven is al een tijd op drift geraakt. Ze zijn op zoek naar een woning, een geestelijk huis. En dat is precies wat Jezus wil zijn. Kom en zie, zegt hij. Zij kwamen en zagen waar hij woonde en bleven die dag bij hem. En welbeschouwd zijn zij sindsdien nooit meer bij Jezus weggegaan. De woorden ‘zien’ en ‘blijven zijn voor Johannes echt sleutelwoorden die je in het hele Johannesevangelie steeds opnieuw tegen komt. Zij kwamen en zagen waar hij woonde en bleven die dag bij hem.

Johannes vertelt hier over zoekers die een thuis vinden bij Jezus. En ook over mensen die zo zelf gevonden worden. Simon, Fillipus, Nathanaël, ze worden eerst en vooral gevonden. Andreas vond zijn broer Simon, Jezus vond Filippus en Filippus vond Nathanaël. Bij Jezus komen is voor Johannes eerst en vooral gevonden worden. Gevonden worden gaat over wie je ten diepste bent. Dat de ander in jou werkelijk ontdekt, ziet wie je ten diepste bent. Dat is wat gebeurt met Simon. Als Jezus hem ziet en doorziet zegt hij: jij bent Simon, de zoon van Jona, jij zult Kefas, Petrus genoemd worden. Het oude bestaan en het nieuwe leven in Simon krijgt zo een naam.

Dat is ook wat we zien bij Nathanaël. Jezus kijkt door het eerste laagje cynisme heen en vindt daar verscholen in Nathanaël een Israëliet in wie geen bedrog is. Ik zag je onder de vijgeboom Nathanaël. Onder de vijgeboom.. een goed gesnoeide vijgeboom biedt onder zijn takken een soort van koele, ruime kamer. Een heerlijke beschutte en stille plek. De vijgeboom is in Joods rabbijns denken. Bij uitstek de plaats voor Bijbellezen, meditatie, gebed Jezus zegt: Ik zag je onder de vijgeboom, Nathanaël. Ik zie je in je verborgen, innerlijke leven Ik kijk in je ziel, ik lees je hart. En is op deze manier gevonden worden, gezien zijn niet waar ieder mens ten diepste naar verlangt?

Toen u onder de vijgeboom was, zag ik u, zegt Jezus. Wat is uw vijgeboom? Wat is uw favoriete plek om tot uzelf te komen, om God te ontmoeten, bij Jezus thuis te komen? Behalve een fysieke plek staat onder de vijgeboom ook voor het diepste geheim van je leven. Het is de binnenkamer van je hart. De plek waar je diepste gedachten en verlangens leven waar je bent wie je bent, ongekunsteld, zonder schone schijn, met de maskers af. En dat is hoe God ons ziet en kent God die mij ziet zoals ik ben, dieper dan ik mijzelf ooit ken, ken Hij mij.

Gevonden worden, gezien worden, je gekend weten, dat is deel van het geheim van Jezus ontmoeten. Jezus heeft nog geen onderwijs gegeven, geen wonderen gedaan. Alleen de ontmoeting met de Jezus zelf in wie Hij is is voor deze leerlingen levensveranderend. Zij vinden op hun beurt in Jezus wat zij zoeken. Bij de andere evangelisten wordt je als lezer hoofdstukken lang voorzichtig meegenomen op een zoektocht naar wie deze Jezus is. En pas halverwege deze evangeliën wordt dat helder. Bij Johannes klinkt er van meet af aan klare taal. Johannes de Doper zegt het zonder omhaal van woorden: zie het Lam van God. Andreas zegt tegen Simon: wij hebben de Christus gevonden. Filippus zegt tegen Nathanaël: Wij hebben Jezus gevonden over wie Mozes en de profeten hebben gesproken. En Nathanaël zelf zegt: U bent de zoon van God, U bent de koning van Israël

Johannes schrijft zijn evangelie tientallen jaren na Matteus, Marcus en Lukas en richt zich op de 2e klas in de evangelieschool. Op mensen die weten wie Jezus voor hen is. Wij in onze postmoderne tijd, kunnen soms van zoeken een levensstijl maken, zonder te vinden zonder ooit vaste grond onder de voeten te hebben. Jij jouw geloof en ik de mijne en ach ja wie zal zeggen wat waar is en waarachtig? Johannes zet een andere toon. Van zoeken naar vinden, van vinden naar belijden.

Nog even terug naar Nathanaël: vermoedelijk heeft hij daar onder de vijgeboom het verhaal van Jakob gelezen uit Genesis 28. Jakob de rusteloze zwerver en zoeker die door God gevonden werd in een droom waarin de hemel even de aarde raakt. En als Jezus Nathanaël ontmoet verwijst hij naar dit specifieke Schriftgedeelte waar Nathanaël over mediteerde: van nu af aan zult u de hemel geopend zien en de engelen van God zien opklimmen en neerdalen op de Mensenzoon. Zo maakt Jezus duidelijk dat hij Nathanaël niet alleen heeft gezien onder de vijgeboom maar dat hij weet wat er leeft in Nathanaëls hoofd en hart U kent vast ook van zulke momenten dat woorden van God zo precies raken aan waar u mee bezig bent, aan wat u juist op dat moment nodig hebt. Wat mij ten diepste houdt bewogen, het ligt alles open voor uw ogen, Gij kent mijn leven woord voor woord, Gij hebt mij voor ik spreek gehoord

Intussen maakt Jezus met deze verwijzing naar Genesis 28 ook een krachtig statement. Het punt van de ladder met engelen was om Jakob te laten zien dat God daar met hem was. Jakob noemt die heilige plaats Beth-el: huis van God. En in latere generaties wordt er een heiligdom gebouwd waar mensen thuis kunnen komen bij God. Het punt dat Jezus hier wil maken door naar Bethel te verwijzen is dat hijzelf nu het huis van God is voor ons mensen. Daarom wordt over hem in ditzelfde eerste hoofdstuk gezegd dat het Woord vlees is geworden en onder ons zijn tenten heeft opgeslagen. En al meteen in het volgende hoofdstuk clasht Jezus met de aardse tempel in Jerzuzalem, veegt hij die schoon en presenteert hij zichzelf als de nieuwe tempel van God. En verderop in dit 4e evangelie zal Jezus gaan uitleggen dt dit geestelijk huis niet afhangt van Jezus lichamelijke presentie maar dat dat geestelijk huis zal bestaan uit Gods inwoning in ons! wie mij gezien heeft, heeft de vader gezien en: als iemand mij liefheeft, zal hij mijn woorden in acht nemen en mijn Vader zal hem liefhebben en wij zullen naar hem toekomen en bij hem intrek nemen.

Let er op dat die laatste woorden van Jezus hier nadrukkelijk in het meervoud staan: U zult grotere dingen zien dan deze. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u allen: van nu af zult de hemel geopend zien en de engelen van God zien opklimmen en neerdalen op de Mensenzoon. Grotere dingen, de hemel geopend door de Mensenzoon Jezus roept hier het koninkrijk van God uit dat in Hem doorbreekt en steeds meer zichtbaar zal gaan worden. En bij die grotere dingen, bij de hemel laten raken aan de aarde betrekt hij nadrukkelijk zijn leerlingen van toen en van nu.  Later zal Jezus zeggen in Johannes 14,12 Wie in mij gelooft, wie bij mij thuis is gekomen, zal de werken die ik doe ook doen en hij zal grotere dingen doen dan deze. Grotere dingen, dat zijn dus de dingen die Jezus deed. Hoop brengen waar wanhoop is,troost waar verslagenheid is. licht dragen in de duisternis, Heling brengen in gebrokenheid en ziekte, gebonden bevrijden en geknakten oprichten. En zo in Gods naam in een gebroken wereld iets zichtbaar maken van de hemel.

Zo zijn we aan elkaar gegeven en aan onze omgeving als het lichaam van Christus, een huis van God. Een plaats waar je gevonden kunt worden, gezien en vandaaruit geroepen om Jezus zichtbaar te maken. Jezus verzamelt menses om zich heen die bij Hem thuis komen en daar ook hun huisgenoten, hun broers en zussen vinden. Een nieuwe gemeenschap die voor elkaar en voor de wereld het lichaam van Christus mogen zijn. En zo een zegen, licht voor de wereld, zout voor de aarde.

Ik ervaarde zelf enkele weken geleden hoe bijzonder dat is. We zouden op vakantie gaan en ik was bezig onze auto nog even te stofzuigen. Op de bekleding vond ik heel veel lange blonde haren tegen. Ze waren van onze jongste dochter Inge, die deze maanden als gevolg van bloedverdunners erg veel last heeft van haaruitval. Ik werd daar even heel verdrietig van Die haren stonden voor wat Inge is verloren. Ik werd even heel bang voor de toekomst, hield er een bedrukt en zwaar gevoel aan over.

De volgende dag stuurde iemand me een appje. Ze had een droom ontvangen waarin ik voorkwam. Ze zag me voorbijgaan, met de handen in het haar, en heel verdrietig. Zij werd zelf overspoeld door verdriet. Ze werd meteen daarop wakker en werd zelf overspoeld door verdriet. Ze begreep dat ze deze droom niet zomaar had ontvangen en appte me de volgende dag: Jaap, ik mag je laten weten dat je pijn en verdriet wordt gezien!

Het ontvangen van dat berichtje was voor mij een diep troostende ervaring. Ik kan zelf niet altijd zo gemakkelijk bij mijn diepste emoties komen en heb al gauw de neiging om ze in te pakken en ergens op een plankje in de kelder van mijn ziel weg te stoppen. Nu wist ik me met mijn verborgen verdriet, heel specifiek met mij handen in het haar, gevonden en gezien door mijn hemelse Vader. Deze zus in het geloof was voor mij op dat moment het gezicht, de ogen, de mond van Jezus zelf. Dat is wat de Bijbel noemt de gave van profetie. Het ontvangen van ingevingen, beelden, woorden, waarmee de een de ander mag bemoedigen, vertroosten, opbouwen.

Teresa van Avila, een Spaanse mystica in de 16e eeuw schreef tegen het einde van haar leven een brief aan de nonnen waar zij geestelijke moeder van was. En in die brief schreef zij de volgende prachtige woorden: “Christus heeft nu geen ander lichaam op aarde dan het jouwe,  geen handen dan de jouwe, geen voeten dan de jouwe, van jou zijn de ogen waardoor Christus met mededogen naar de wereld kijkt; van jou zijn de voeten waarmee Hij rond gaat, goede daden verrichtend; van jou zijn de handen waarmee Hij de mensen nu zegent”.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie