Delen in Jezus’ lijden

(1 Petrus 4, 12-19; Mt 16: 24-26 en Mt 11: 28-30)

Rikkert Zuiderveld, liedjeszanger en christen-cabaretier, schreef eens een prikkelend liedje. Het heet ‘na de reclame’. Hij hekelt er het wonderlijke leven zoals wij dat in het rijke westen van de wereld nastreven. Een rimpelloos bestaan, liefst zonder ongemak dat zoveel mogelijk ongeschonden blijft en gaaf.

Rikkert zingt daarin de volgende regels: de zwoele schoonheid stort zich op de macho man – wiens aftershave zo onweerstaanbaar lekker ruikthet hele huisgezin zit stralend rond de pan – want moeder heeft precies de juiste saus gebruikten het gepensioneerde stel heeft goed belegd – en o jawel ze zijn gezond en blijven samen.

De ware vriendschap wordt beklonken met veel drankde nieuwe stationcar vertroetelt en gestreeldhoop voor de toekomst wordt geleverd door de bank – omdat het geld uiteindelijk alle wonden heelt – de baby kraait zo blij in bad z’n luiers worden nooit meer naten hij slaagt voor z’n rijexamen

Je hebt pas echt succes met soepel glanzend haarhet nieuwe keukenblok blinkt oogverblindend schoon – en de verzekering brengt alles voor elkaarje moet online met je mobiele telefoon – een frisse geur in de wc nu ook in sinaasappelsprayzal je bestaan veraangenamen – het refrein luidt: stil maar m’n kind al loeit ook de wind langs de ramen – stil maar m’n kind. De wereld vergaat pas na de reclame

In een gesprek legt Rikkert waarom hij dit liedje schreef. Hij zegt: in onze westerse cultuur leven we in een enorme schijnwereld. Hij komt nog wel eens in Afrika en reist daar dan weken lang in gammele auto’s over erbarmelijke wegen, schuddend, hobbelend. En terug in Nederland zijn er dan weer de spiegelgladde wegen. Maar al er in één zo’n weg ergens een kuiltje of een hobbel zit wordt er meteen een bord bij geplaatst: slecht wegdek!

We leven als westerlingen in een schijnwereld waarin we het lijden zover mogelijk bij ons bed proberen vandaan te houden. En tegelijk ontkomt niemand van ons er aan. We durven het lijden niet goed onder ogen te komen en strijken de wereld daarom zoveel mogelijk glad. We doen alsof alles goed gaat. We laten alles er zo mooi mogelijk uitzien. We delen alleen onze gelukkigste momenten met anderen. Zo proberen we het lijden buiten de deur te houden. Omdat we vaak geen idee hebben hoe we met lijden om moeten gaan.

Toen ik deze woorden van Rikkert las, vroeg ik me zelf af: ziet ons geloof er ook zo gepolijst uit, zo glad gestreken? Je kunt van je geloof ook een soort bubbelbadje maken van louter bevestiging, bemoediging en positiviteit. Waarin je het vooral fijn wilt hebben, zoekt naar het goede gevoel. Je pikt uit de Bijbel vooral de krenten uit de pap en stel je playlist samen van feel-good liedjes. En zo voorkom je dat geloof gaat schuren, wringen, ongemakkelijk wordt.

De 1e Petrusbrief doet aan dit spelletje niet mee. Petrus windt geen doekjes om de ongemakkelijke kanten van Jezus volgen. Eerder dit seizoen hebben we gezien dat hij christenen typeert als vreemdelingen die wel in deze wereld zijn maar niet van deze wereld. Als priesters ook die vaak enkelingen zijn tussen veel anderen die helemaal niet zo bezig zijn met God, met de kerk of met geloof. Heiligen noemt bij ons ook: apart gezet, anders, tegendraads. En zulke vreemdelingen, priesters, heiligen passen nu eenmaal niet naadloos in deze wereld.

Voor Petrus is het helder: Jezus volgen, christen zijn is onlosmakelijk verbonden met ongemak, pijn, met lijden. Wees niet verbaasd als je moet lijden, zegt Petrus. Wees niet verbaasd, er overkomt u niets uitzonderlijks. Die les heeft hij zelf ook moeten leren. Aanvankelijk wil hij er helemaal niets van weten. Als Jezus zijn lijden aankondigt, in Matteus 16, lezen we: Petrus nam Jezus ter zijde en begon hem fel terecht te wijzen God verhoede het, Heer! Dat zal u zeker niet gebeuren. En wat zijn eigen rol betreft zweert hij bij zijn eigen draagkracht, standvastigheid, doorzettingsvermogen. We weten hoe juist Petrus in het volgen van Jezus verschillende keren finaal uit de bocht vliegt en uiteindelijk helemaal ondersteboven gaat, de Heer tot driemaal toe laat vallen.

Petrus leert zijn les met vallen en opstaan en juist het thema lijden zal een thema worden in de rest van zijn leven. Jezus zegt hem in Johannes 21: Waarachtig, ik verzeker je, toen je jong was, deed jezelf je gordel om en ging je waarheen je wilde. Maar wanneer je oud wordt zal een ander je handen grijpen, je je gordel omdoen en je brengen waar je niet naartoe wilt. Met deze woorden duidde hij aan hoe Petrus zou sterven tot eer van God.

In Handelingen 5 lezen we hoe Petrus samen met de andere apostelen wordt gearresteerd en gegeseld door de geestelijke leiders en dan lezen we: De apostelen verlieten het sanhedrin verheugd dat ze waardig bevonden waren deze vernedering te ondergaan omwille van de naam van Jezu. In onze lezing van vanmorgen legt Petrus uit waar deze glimlach vandaan komt. Hij noemt dit: deel hebben aan het lijden van Christus. Dat is een heel specifieke manier van kijken naar lijden. Je probeert Jezus oprecht te volgen en krijgt daarvoor niet altijd applaus. Het kan ongemak opleveren, weerstand oproepen, iets van vervreemding, eenzaamheid veroorzaken. En als dat je deel is, zou je jezelf niet zozeer moeten beklagen. Maar mag je bedenken dat het je op een andere, diepere manier verbindt aan Jezus. Die zelf heel bewust ervoor koos, lastdrager te zijn. zijn kruis opnam en het tot het einde toe droeg

Paulus kent dit geheim ook. In Kolossenzen 1 spreekt hij over: het vervullen van wat overblijft van de verdrukkingen van Christus. In Filippenzen 3 zegt hij: Ik wil Christus kennen en de kracht van zijn opstanding ervaren. Ik wil delen in zijn lijden (daar heb je die uitdrukking weer!) en aan hem gelijk worden in zijn dood. Het hoort kennelijk bij elkaar. De kracht ervaren van de opstanding ervaren en delen in Christus lijden. De Engelsen hebben daar een krachtige uitdrukking voor: no guts, no glory! Geen moed, dan ook geen winst. En Petrus legt precies ook dat verband. Als u gehoond wordt omdat u de naam van Christus draagt, prijs u dan dan gelukkig, want dat betekent dat de Geest van God in al zijn luister op u rust. Wees niet verbaasd, zegt Petrus, er overkomt u niets uitzonderlijks. In plaats van verbaasd te zijn, zou je jezelf gelukkig moeten prijzen. In 1 Petrus 2 noemt Petrus het delen in Jezus lijden pure genade. Lijden omwille van Jezus is niet iets wat er eventueel bij komt kijken. Het is de kern: dit is uw roeping, zegt Petrus,  Ook Christus heeft geleden, om uwentwil, en u daarmee een voorbeeld gegeven. Treedt dus in de voetsporen van hem.

Een groepje Westerse christenen was eens te gast bij een huiskerk in China, in Beijing. Iedere samenkomst beginnen zij door elkaar één specifieke vraag te stellen: wat zijn deze week uw wonden voor Christus? De Westerse christenen komen ook aan de beurt en weten eigenlijk niet zo goed raad met deze vraag. Wij hebben geen echte wonden, want wij wonen in vrije landen. Er valt in die huiskamer een lange, pijnlijke stilte. Tot een oude Chinese christin het woord neemt en vraagt: bedoelt u dat u in vrije landen geen geestelijke strijd voert?

Dat is de vraag die ons terecht gesteld worden door vele broers en zussen in het geloof die ook vandaag voor het volgen van Jezus worden vervolgd, verdrukt. Ben ik in mijn context bereid om offers te brengen voor mijn geloof? Of strijk ik liefst alles glad, pas ik me aan alles en iedereen aan. Beweeg ik teveel mee en verlies ik zo mijn smaak, mijn kleur, mijn waarachtigheid?

Jezus heeft er ook zelf nooit doekjes om gewonden. Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en mij volgen. In Matteus 11 zegt Jezus het net even anders: neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden want mijn juk is zacht en mijn last is licht.

Neem mijn juk op je, zegt Jezus, een leer van mij. Hij denkt daarbij vast aan zo’n houten juk waardoor twee ossen aan elkaar worden verbonden. Ploegen is in het oude oosten een zwaar werk, harde grond en vol stenen. Daar kan een jonge os zich al snel op stuklopen. Hij wordt dan in één juk geplaatst met een oudere ervaren os. Ze trekken samen op en gaandeweg leerde de jonge os hoe je het juk op zo’n manier draagt dat het te doen is.

Jezus zegt: neem mijn juk, dan lopen we samen op. En juist omdat we het samen gaan doen, jij en ik is die last eigenlijk ook maar een zachte juk en een lichte last. Want Jezus draagt de werkelijke last, het zwaarste deel. Het juk van Christus is vooral een zacht juk en een lichte last omdat je nergens dichter bij Jezus bent dan juist onder dat kruis. En zijn gezelschap is verademend anders dan de meeste reisgenoten. Zoveel eerlijker, barmhartiger, bewogener, zoveel vrolijker en onbezorgder en ontspannener.

Wat Jezus erbij zegt is dat je onder zijn juk zachtmoedigheid leert en nederigheid. Je leert minder en minder een hoge toon aan te slaan. Te incasseren zonder terug te slaan, de ander in alles te verdragen en in je weg met God nederigheid. Je minder te laten leiden door je eigen voorkeuren en inzichten en meer en meer door de wil van de vader door eenvoudige gehoorzaamheid.

Neem mijn juk op je, zegt Jezus, zo zul je werkelijk rust vinden. De rust dat je in de juiste richting leeft. Dat je op dit pad steeds op Jezus mag gaan lijken. Dat je onder dit juk de juiste prioriteiten leert stellen, dat dicht bij Jezus hoofdzaken echt hoofdzaken worden en bijzaken niet meer dan bijzaken. Dat je leert te onderscheiden waar het op aankomt

Dat is precies de toon van de 1e Petrusbrief. Die eerste generatie christenen staat vanwege hun geloof onder druk. Zij kunnen en willen op allerlei punten niet meer mee in het oude vaak ongeremde gedrag van vroeger. Maken heel bewust tegendraadse dwarse keuzes en krijgen daarom de wind van voren, worden daar om gekleineerd, bespot, niet serieus genomen. En Petrus spoort hen aan om dat juk trots en blij te dragen. En niet teveel gefocust te raken op het lijden zelf maar in alles het goede blijven doen en gericht blijven op onze Heer.

Jezus heeft het lijden nooit bewust gezocht en vraagt dat ook niet van ons. Maar hij probeert het zeker ook niet krampachtig glad te strijken. Hij is immers niet gekomen voor een schijnwereld maar voor de vaak rauwe werkelijkheid van het menselijk bestaan. Hij kiest voor echtheid in plaats van voor schijn. Voor kwetsbaarheid in plaats van maakbaarheid. Voor liefde in plaats van angst. En hij daagt u jou en mij uit om hem te vertrouwen en te volgen. Ook in het lijden, ook in het kruisdragen. Om een deel van onszelf op te geven. Trouw zijn in zaken die je hebt opgepakt, juist ook als het taai is en moeilijk en niet leuk, fijn of spannend. Toch volharden. De schouders er onder blijven zetten. Jezus voetstappen drukken vraagt de bereidheid offers te brengen. Niet klagend of mopperend als een onvermijdelijk noodlot. Maar blijmoedig en met vertrouwen. Want we zijn nergens dieper verbonden met Jezus dan wanneer we elkaars lasten dragen in Zijn naam. Draag elkaars lasten en vervul zo de wet van Christus. (Galaten 6.1)

 

 

 

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie