Niet als wezen (Joh. 14,18)

‘Ik laat jullie niet als wezen achter, ik kom bij jullie terug.’ (Joh. 14,18)

Toen de bekende Griekse filosoof Socrates stierf door ervoor te kiezen een gifbeker leeg te drinken bleven zijn leerlingen vertwijfeld, verweesd achter. Zij voelden zich in de steek gelaten door hun meester en in een verslag hierover zeggen ze dan tegen elkaar: ‘Wij zijn nu van een vader beroofd en moeten de rest van ons leven als wezen verder.’ En dat is kennelijk een vraag die ook leeft onder de leerlingen van Jezus als Jezus hen vertelt dat hij naar de hemel zal terugkeren. En wij dan? Moeten wij nu verder als geestelijke wezen? Vandaar dat Jezus zegt: ‘Ik laat jullie niet als wezen achter, ik kom bij jullie terug.’

Ik laat jullie niet als wezen achter, belooft Jezus. Je zou de houding van een geestelijke wees kunnen afzetten tegenover de houding van een kind. En die kunnen nogal verschillen in hun houding. In de houding van een kind ten opzichte van zijn ouders zit in het ideale plaatje iets onbevangens en intiems. Een kind is er als het goed is altijd zeker van dat het geliefd is, gekend, aanvaard, onvoorwaardelijk, heeft leren ontvangen, is bevestigd in zijn bestaan. Dat geeft een gezonde basis, zelfvertrouwen. Een kind die zijn vader hoort zeggen: ik zal er zijn zal dat blijmoedig aannemen, daar rust in vinden, zich veilig voelen.

Voor een wees spreekt het niet vanzelf dat er een plekje voor hem is. Een wees is er niet zeker van dat er nog wel iemand is die echt onvoorwaardelijk van hem houdt. Hem ziet, kent, bemind en voor hem is. Hij is ergens altijd bezig om zijn plekje te verdienen. Bezig met de vraag of het wel goed genoeg is. En wat hij zou kunnen doen om meer geliefd te zijn. Een wees geeft zich niet zo gemakkelijk. Zal geneigd zijn wat afstand te bewaren. Kan maar moeilijk geloven dat er voor hem gezorgd wordt en zal geneigd zijn eigen boontjes te doppen. En bij de woorden ‘Ik zal er zijn’ denkt een wees diep van binnen: Ja? Is dat zo? Er zijn, ook voor mij? Dat moet ik nog zien.

En Jezus kan dan wel beloven dat hij ons niet als wezen achter laat. Maar, zo vraag ik mezelf af: gedraag ik mezélf toch niet vaak als een geestelijke wees of half-wees? Kruipt er in mijn ziel toch niet gemakkelijk. Iets van de houding van een wees of half-wees. Iets van argwaan, onzekerheid, afstand, angst. Een geestelijke doe-het-zelver die zich maar moeilijk toevertrouwt, overgeeft, ontvangt.

En als ik iets in mijn grondhouding herken van de wees, belooft Jezus dat hij precies om dat te voorkomen zijn Geest wil zenden in onze levens. Die zal in jullie wonen en blijven zegt Jezus. Wonen en blijven, dat klinkt als een stevige basis. Dat klinkt als een thuis, dat klinkt als kindschap. Ik zal er zijn voor je, in je hart, in je ziel met mijn inwonende Geest. In Romeinen 8 lezen we: U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven (vul vandaag in: wezen, jh) in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, en om hem te kunnen aanroepen met Abba, Vader.

De wereld kan deze Geest niet ontvangen zegt Jezus want zij ziet hem niet en kent hem niet hoeveel wereld zit er nog in mijn denken dat me in de weg zit om de Geest te kennen. Meer van de Geest te gaan ontdekken en ontvangen? Leef je op een manier waarin de Geest echt op mij kan landen, rusten, wonen, blijven. Of heb ik een manier van leven ontwikkelt, denk- en leefpatronen waardoor er voor de Geest eigenlijk weinig ruimte is? In 1 Korintiërs 6 wordt die vraag indringend gesteld: Of weet u niet dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest. Die in u woont en die u ontvangen hebt van God. En weet u niet dat u niet van uzelf bent?

In Handelingen 19 komt Paulus in Efeze een groepje tegen van twaalf leerlingen, gelovige mensen dus. Hij kwam ze wellicht tegen in de samenkomst van de gemeente. En misschien heeft hij in hun doen en laten, hun uitstraling iets geproeft van de houding van een geestelijke wees. Dat hij iets miste in hun manier van leven. Hij vraagt hen: hebben jullie de Heilige Geest ontvangen toen jullie het geloof aanvaardden? En het onthutsende antwoord van deze leerlingen is: Nee, wij hebben zelfs niet gehoord van het bestaan van een heilige Geest. Ze krijgen een stuk onderwijs, worden gedoopt in de naam van Jezus. Dan wordt hun de handen opgelegd en daalt de Heilige Geest op hen neer. En worden het heel andere mensen.

Laten we deze vraag meenemen de week in: waar in mijn leven herken ik de houding van een geestelijke wees of half-wees? En wat zou een nieuwe vervulling van de Geest van het kindschap hierin kunnen veranderen, vernieuwen?

Ik wil vanmorgen nog een tweede punt maken. Jezus noemt de Geest de trooster. En in troost zit altijd iets van bevestiging én uitdaging. Van comfort én challenge, bemoediging én bekrachtiging. En dat is ook een lijn in dit gesprek tussen Jezus en zijn leerlingen. Het is niet alleen een afscheid maar ook een overdracht. Waarin Jezus echt heel bewust zijn vrienden helpt om zich in te stellen en voor te bereiden op een nieuwe tijd, waarin zij een andere rol zullen vervullen.

Zulke overdrachtsmomenten komen we vaker tegen in de Bijbel. Ik noem er twee waarbij ook nadrukkelijk de Geest wordt genoemd. In 2 Koningen 2 vindt de overdracht plaats van Elia op Elisa. Er is daar een hele groep profeten bij en één van hen is Elisa, die Elia zou gaan opvolgen. Elia wil eigenlijk het liefst in stilte het toneel verlaten en slaagt er in iedereen achter zich te laten behalve Elisa, zijn leerling en opvolger. Die blijft hem tot het einde vergezellen. Ook Elisa ziet er tegenop op verder te moeten zonder de krachtige charismatische Elia. En dan vraagt Elisa aan zijn geestelijke vader Elia: om een dubbel deel van zijn geest. En als de grote Elia ten hemel vaart glijdt zijn mantel van zijn schouders en deze profetenmantel mag Elia opnemen en dragen. En vanaf deze dag rust een dubbel deel van de Geest op Elisa. En wordt zijn bediening krachtiger, vruchtbaarder. Wat een prachtig beeld: de Geest als een mantel die je om je heen slaat.

Een ander overdrachtsmoment komen we tegen bij Paulus en Timoteus. Paulus heeft veel geinvesteerd in Timoteus. En nu Paulus in de gevangenis aanvoelt dat zijn levenseinde nadert schrijft hij deze overdrachtsbrief als een soort van testament. En ook hier komt de Geest ter sprake. En waar Elia nog wat terughoudend was, is het hier Paulus zelf die zijn geestelijke zoon Timoteüs met handoplegging de Geest heeft overgedragen. En nu schrijft hij dit: daarom spoor ik je aan het vuur brandend te houden van de gave die God je schonk toen ik je de handen oplegde. God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar een geest van kracht, ​liefde​ en bezonnenheid. (2 Tim 1,6-7) En vervolgens draagt hij Timoteüs op om zelf ook weer op zoek te gaan geestelijke zonen en dochters aan wie, door de Heilige Geest, het pand dat hem is toevertrouwd kan overdragen. Mensen die betrouwbaar zijn en bekwaam om op hun beurt weer anderen te onderwijzen en in te wijden.

En vanmorgen zien we dus hoe Jezus heel bewust bezig is met het overdragen van zijn visie, zijn Geest op zijn leerlingen. De Geest die dat zal gaan doen wat Jezus zelf niet kon: mensen van binnenuit omvormen en vernieuwen tot krachtige, vrijmoedige christenen waar echt iets van uit gaat. Het resultaat zien we in het boek Handelingen waar de onzekere, vaak tobberige zoekende discipelen zoals we die tegenkomen in de evangeliën, vaak met de mentaliteit en mind-set van een geestelijke wees, nu helemaal in hun kracht komen te staan en tot een enorme zegen zijn voor velen.

In datzelfde boek Handelingen zien we trouwens ook dat de geest nog iets anders doet dan je kindschap bevestigen en je in je kracht zetten. De inwoning van de Geest geeft de leerlingen ook een andere blik op de wereld waarin zij leven. Zij denken steeds minder in hokjes en vakjes en ontdekken dat de Geest grenzen doorbreekt en dat Gods liefde zich niet laat opsluiten in een religie of een systeem of welk lijntjes wij ook trekken. Ze ontdekken ook sporen van Gods aanwezigheid op plaatsen waar ze hem nooit hadden verwacht. Bij iemand als Cornelius, en de kamerling uit Ethiopië, ja zelfs tot op de Areopagus. Dat is ook een zegen van het geschenk van de Geest. Een aandachtige open wijde en brede blik.

Vanmorgen zien we een hele verzameling kunstwerken waarin op heel verschillende manieren is geprobeerd iets weer te geven van de verschillende dimensies van de inwoning van Gods Geest in ons leven. De Geest van het kindschap. De Geest van kracht, liefde en bezonnenheid. De Geest ook van schoonheid, goedheid en waarheid. Loop er eens rustig langs en ontdek hoe deze kunstenaars zich hebben laten inspireren door een lied dat zo mooi verwoordt hoe rijk je bent als je niet als een geestelijke wees door het leven gaat maar elke dag mag leven als een kind van God, die zegt: Ik zal er zijn. En dat waarmaakt door met zijn Geest in je te komen wonen en bij je zal blijven.

 

Al heeft Hij ons verlaten,

Hij laat ons nooit alleen.

Wat wij in Hem bezaten

is altijd om ons heen

als zonlicht om de bloemen

een moeder om haar kind.

Teveel om op te noemen

zijn wij door Hem bemind.

(lied 663 Liedboek)

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie