Weg uit Egypte (Exodus 12)

(Exodus 12:21-42)

Er is veel gebeurd sinds Mozes God ontmoet heeft bij de brandende doornstruik. Na heel wat tegensputteren is Mozes naar Egypte getrokken. En uiteindelijk staat hij daar tegenover de machtige Farao. Een oude, sjofele schaapherder die spreekt uit naam van een God van wie Farao werkelijk nog nooit heeft gehoord. ‘Zo zegt de Heer: laat mijn mensen gaan. Let my people go!’ En waar Mozes al die tijd al bang voor was geweest, gebeurt. Farao wil er niets van weten en het spel is op de wagen.

Farao en zijn volk worden getroffen door een reeks plagen. Het is een grimmig gevecht over tien ronden. Niet zozeer tussen Mozes en de Farao. Nee, dit is een krachtmeting op het niveau van de machten en krachten. De God van Abraham, Izak, Jakob en Mozes staat hier tegenover de kwade machten die een heel volk in hun greep houden. Zo wordt het ook expliciet gezegd door God zelf in Exodus 12,12: ‘Ik zal alle Egyptische goden van hun voetstuk stoten want ik ben de Heer.’

Iedere plaag richt zich op een of meerdere goden die door de Egyptenaren worden aangebeden. De goden en geesten van de Nijl zien machteloos toe hoe de rivier verandert in bloed. Een god met een kikvorsenkop staat in zijn hemd als het hele land wemelt van de kikkers. Goden die bescherming zouden bieden tegen o.a. insecten weten geen raad met enorme zwermen muggen. Een moedergodin die wordt afgebeeld als koe en een vruchtbaarheidsgod die eruitziet als een stier beginnen niets tegen een rundveeplaag. Als er een plaag uitbreekt met zweren zijn de beschermgoden va de artsen nergens te bekennen en beschermgoden van de oogst en het graan leggen het af tegen sprinkhanen en hagel. Een heel regiment aan zonnegoden verdwijnt in drie dagen dikke duisternis. En uiteindelijk worden ook Isis en Osiris de goden van het leven geveld als in de tiende plaag alle eerstgeborenen sterven.

En terwijl deze clash in de geestelijke wereld in volle gang is, is daar tussen de 9e en 10e plaag ineens dat wonderlijke hoofdstuk 12. Waarin het volk uitgebreide, gedetailleerde instructies krijgt om een heel specifieke maaltijd te gaan voorbereiden. Ieder huis moet grondig worden gereinigd zodat ieder restje oud zuurdesem weg is. Oud, verzuurd deeg waarmee je nieuw deeg kon laten rijzen. En zeven dagen lang eten zij ongedesemd brood. De platte koeken die wij kennen als matses. Ieder gezin moet een lammetje kopen van één jaar oud zonder enig gebrek. En in de nacht van de bevrijding zal dit Paaslam worden geslacht. Het vlees zal in die nacht worden gegeten met ongezuurde broden en bittere kruiden. Tijdens die laatste maaltijd blijft iedereen staan. Sandalen aan de voeten, de reisgordel om, de reisstaf in de hand. Aan alles is duidelijk dat dit een afscheidsmaal is. En als er iets van over blijft wordt het verbrand zodat er niets achterblijft, niets is om naar terug te keren. Het bloed van dit geslachte lam moet aan de deurposten worden gestreken. In ieder huis waar het bloed aan de deurposten zal zijn gestreken zal men die nacht veilig zijn. En in huizen waar dat bloed op de deurposten ontbreekt zal die nacht de eerstgeborene sterven. Deze maaltijd krijgt als naam: Pascha of Pesach wat betekent: voorbijgaan. Passover in het Engels. Waar ik het bloed zie, zegt de Heer, zal ik u voorbijgaan.

Het is opmerkelijk dat de instelling van de Pesachmaalttijd juist plaats vindt midden in de enorme hectiek van een door plagen geteisterd land. Er staat notabene een complete volksverhuizing op stapel. Mensen die van generatie op generatie op dezelfde plaats en in dezelfde huizen hebben gewoond staan op het punt om alles achter te laten en te beginnen aan een reis met onbekende bestemming. Een immense logistieke operatie. Massa-emigratie. ‘Ik vertrek’ zeg maar, maar dan voor een heel volk. En bovenop deze chaos is er de constante dreiging van een volstrekt onvoorspelbare dictator die met één commando een bloedbad kan aanrichten en aan alles een einde kan maken. En juist nu krijgen zij deze heel specifieke instructies. Waarom wordt juist in deze nacht het Pascha gevierd. En niet later in de woestijn als alle chaos en dreiging voorbij is?

Kennelijk heeft deze Pesachmaaltijd meer betekenis dan dat het zomaar een bemoedigend ritueel is. Juist het houden van deze wonderlijke maaltijd midden in de hectiek van deze nacht van de uittocht geeft aan dat werkelijke geestelijke bevrijding alleen tot stand kan komen als wij mensen leren om ons over te geven aan God. Ons toe te wijden aan wat Hij van ons vraagt. En hem daarin gehoorzamen en zonder reserves vertrouwen. Alles in en om deze Israëlieten schreeuwt dat nu andere dingen belangrijk zijn. Maar te midden van de chaos, dreiging en onzekerheid wordt van de Israëlieten gevraagd zich te richten op dit ene. Op wat de Heer nu heel concreet van hen vraagt.

Deze hele operatie gaat niet alleen om bevrijding úit Egypte. Het gaat nog veel meer om een bevrijding tót God Om een nieuwe toewijding en hartelijk dienst aan Hem. En daarin luistert het nauw en gaat het ook om de details. Niet even slordig en haastig iets doen wat er ongeveer op lijkt. Maar echt willen horen hoe God het precies vraagt en hem daarin leren volledig te vertrouwen en gehoorzamen tot in de kleinste dingen. Wij associëren vrijheid niet per se met regels en voorschriften. Maar juist zulke concrete zaken herinneren ons aan het feit dat we niet zomaar leven. Dat we God niet op zak hebben en maar wat kunnen aanmodderen. Dat toewijding en gehoorzaamheid blijkt uit de zorgvuldigheid, doordachtheid en precisie waarmee we ons leven afstemmen op zijn wil.

Dat juist nu, in de nacht van de bevrijding dit Pesachmaal wordt gehouden heeft ook alles te maken met geestelijke reiniging. Terwijl de strijd tussen God en de machten en krachten zich voor hun ogen afspeelt hebben de Israëlieten laten zien dat er in hun hart heel wat scepsis leeft. Zij hebben zich in Egypte gewend aan een slavenbestaan. Ze hebben de mentaliteit van een slaaf ontwikkeld. Zo denken zij, zo leven zij, zo reageren zij. Hoe hard en jachtig het slavenbestaan ook is. Ze hebben zich eraan gehecht, zich eraan aangepast. Ze zijn gehecht aan de vleespotten van Egypte. Dat oude bestaan, die slavenmentaliteit zal in de weg staan om werkelijk innerlijk vrij te zijn. Om vrij te zijn is een nieuw zuurdesem nodig. Het zuurdesem van het koninkrijk van God. Een heel nieuwe manier van denken, kijken en leven.

Het houden van de Paschamaaltijd heeft dus te maken met God leren gehoorzamen. Het heeft ook te maken met geestelijke reiniging. Maar het diepste geheim van deze bevrijdingsmaaltijd ligt in de centrale betekenis van dat offerlam. Aan deze bevrijding komt geen mensenhand te pas. God vraagt aan de Israëlieten om als het om bevrijding gaat zich te concentreren op een onschuldig lam. We weten uit Jozua 24 dat de Israëlieten in Egypte zich ook hadden verbonden met de Egyptische goden. Zij waren dus net zo verstrikt in vreemde machten. Het strijken aan de deurpost van het bloed van dit lam is een krachtig statement in de geestelijke wereld. Ik en mijn huis, wij zullen de Heer dienen. We willen opnieuw leren de weg van God te gaan en vertrouwen dat we veilig zijn achter dit bloed.

Deze wonderlijke maaltijd heeft een betekenis die veel verder reikt dan deze mensen in deze ene nacht. Nadrukkelijk wordt hier gezegd dat deze Pesachmaaltijd vanaf nu ieder jaar en door iedere generatie opnieuw zal worden gevierd. Iedere generatie zal zijn eigen slavernij moeten ontdekken. En iedere generatie heeft een eigen uittocht nodig. Iedere generatie moet opnieuw doordrongen zijn van de machten en krachten die ons beknellen en klein houden. Iedere generatie mag gaan ontdekken dat de Heer God is. Dat we voor zijn aangezicht geen andere goden zullen hebben. En dat de Bevrijder van Israël meetrekt door de tijden heen en tot op de dag van vandaag mensen bevrijdt en in de ruimte zet.

Tot op de dag van vandaag wordt deze bijzondere maaltijd gevierd. En in iedere generatie opnieuw vraagt God van ons eenvoudige gehoorzaamheid. Om temidden van alles wat schreeuwt om aandacht en zich dagelijks aan ons opdringt gehoorzaam te zijn aan zijn opdracht. Er is de beker van de bevrijding, er is het brood. Wat ontbreekt is het vlees en het bloed van een lam. Want ons Pesachlam is immers geslacht: Christus. En iedere keer wanneer wij het brood breken en de wijn drinken strijken we als het ware het bloed van het lam langs de deurposten van ons leven en spreken we daarmee uit dat we onze bevrijding mogen vinden in het lam van God dat de zonden van de wereld wegdraagt. Wie denkt dat hij wel zonder deze maaltijden kan, maakt zich daarmee los van zoveel generaties voor ons. Die hebben ervaren hoe bevrijdend en vreugdevol het is om gehoorzaam te zijn aan de woorden van God. Juist ook in het breken van het brood en het drinken van de wijn. Wie deze maaltijden links laat liggen en op avondmaalszondagen iets voor zichzelf gaat doen onthoudt ook zijn kinderen iets heel rijks. Die verbreekt een traditie van vele eeuwenlang.

Beste vrienden, dit verhaal van de uittocht stelt ons vandaag enkele indringende vragen. Bent u, ben ik al weg uit Egypte? Egypte staat voor een jachtig slavenbestaan waarin we vooral worden geleefd door wat we onszelf hebben opgelegd. Welke slavendrijvers zijn die het ritme van ons leven bepalen en ons zo beroven van onze diepste vrijheid? Egypte staat voor niet vrij zijn. Voor machten in en om ons heen waar we eigenlijk aan vast zitten en ons iedere dag opnieuw door laten bepalen. Luther zei: je god is dat waar je je vertrouwen aan geeft. Waar hebben we ons hart aan verpand. Waar gaat ons diepste verlangen naar uit? Wat zijn die andere goden waar we ons zo op verkijken? Welke stemmen zij het in ons hoofd waar we zoveel geloof aan hechten, die we volgen. Welk oud zuurdesem is het dat in ons leven dringend moet worden opgeruimd.

Wij zijn vaak zo onder de indruk van alle machten en krachten die zich in deze wereld breed maken. Maar het verhaal van de uittocht laat zien hoe de werkelijke verhoudingen liggen. De Israëlieten glippen niet uit Egypte weg als een dief uit de nacht langs de achterdeur. Zij krijgen alle vrijheid, niets houdt hen tegen zij krijgen zelfs afscheidsgeschenken toe: goud, zilver en kleding en heel veel vee. Hoe de verhoudingen feitelijk liggen wordt duidelijk in dat één zinnetje midden in dit verhaal over de uittocht. Als daar de trotse, hoogverheven Farao knielt voor Mozes en vraagt: zegen ook mij. Farao met zijn exorbitante rijkdommen en absolute macht realiseert zich dat deze simpele schaapherder voor hem iets met zich meedraagt van onschatbare waarde. Het is de belofte van een machtige God die zijn leiding, bescherming, vriendschap en nabijheid toezegt in de naam waarmee Hij zich laat noemen. Ik zal er zijn. In Hebreeën 11 lezen we dat die naam voor Mozes meer waard geworden dan alle schatten in Egypte.

Er trekt die nacht een wonderlijke karavaan weg uit Egypte. Het zijn bevrijde slaven en in vers 38 lezen we dat anderen zich bij hen hebben gevoegd: mensen van allerlei herkomst.  We zouden zeggen: Jan Rap en zijn maat. Die karavaan trekt door alle tijden en plaatsen en altijd weer voegen mensen in, jongens en meisjes. Mannen en vrouwen van allerlei herkomst en pluimage en in die karavaan zoemt het van de verhalen. Verhalen over de God met die wonderlijke naam die bevrijdt uit de meest knellende banden. Verhalen over het geheim van Pesach. Over de wonderlijke kracht en veiligheid die er ligt in het bloed van dat offerlam. En naar mate de stoet verder trekt heeft dat offerlam een gezicht gekregen en vooral een naam. Een naam boven alle namen. Jezus, wat een heerlijke naam. Amen.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie