Geen slaven meer

(Romeinen 8,15 – bij de preek beluisterden we het lied No longer slaves)

De dichter Gerrit Achterberg heeft ooit de volgende regels gedicht:

‘Des morgens kruipt een beest van vrees

Door aderen en ingewanden

En maakt mij weder tot een ander

Dan die ik slapend ben geweest.’

Het is een mooie omschrijving voor een vervelende werkelijkheid. Die u en jij vast zult herkennen. Dat beest van vrees staat voor onze angsten. Het is het addertje van onze angst dat ons leven binnensluipt. Meestal in de vorm van allerlei bange vragen die vaak beginnen met ‘wat als’ of ‘hoe’. Wat als ik weer gepest wordt op school? Wat als ik mijn examen verknal? Wat als ik geen baan vind? Wat als ik geen vrienden heb? Wat als ik ziek wordt? Wat als ik een ongeluk krijg? Wat als er iets naars gebeurt met mijn kinderen? Hoe met ik verder als ik alleen overblijf? Hoe redden we ons financieël? Hoe zorg ik dat mijn kinderen blijven geloven? Hoe moet dat met de wereld waarin we leven? Er zijn duizend dingen die ons angst aan kunnen jagen. Angst zit ons mensen kennelijk in het bloed. En Achterberg heeft echt een punt met de regels: ‘Des morgens kruipt een beest van vrees door aderen en ingewanden en maakt mij weder tot een ander dan die ik slapend ben geweest.

Psychologen vertellen ons dat er vier basisvormen van angst zijn die te maken hebben met basisbehoeften die ieder mensen heeft. Ik wil graag onafhankelijk blijven en vrij zijn en ben dan vaak bang om mezelf over te geven en toe te vertrouwen. Maar ik vind het tegelijk ook belangrijk om erbij te horen, erkend te worden en daarom ban ik ook bang om afgewezen te worden, anderen te verliezen. Ik hou van de veiligheid van het oude en vertrouwde en ben dan snel bang voor het onbekende, voor veranderingen, voor risico’s. Maar iets in mij verlangt ook naar ontwikkelen, vooruitgang, groei en dan kan ik ook bang zijn voor beperkingen, grenzen, regels, dwang. Afhankelijk van ons karakter is de ene angst sterker dan de anderen. Maar wij zoeken allemaal een weg door het leven tussen deze angsten. De angst om mezelf te worden en de angst om mezelf te geven. De angst voor verstarring en de angst voor verandering.

Dat angstige in de mens kom je ook in de Bijbel volop tegen. God had de mens geschapen als een wezen vol vertrouwen en verlangen. Het vertrouwen om er te mogen zijn en de mens te worden zoals ik ben bedoeld. Het verlangen om te leven in verbondenheid met de Schepper, de medemens en deze hele schepping. Maar sinds het moment dat de mens tegen God koos en voor zichzelf is er in plaats van vertrouwen argwaan gekomen en onzekerheid. En in plaats van verlangen heerst nu de angst. En misschien is onze diepste angst wel de angst om afgewezen te worden. En op iedere bladzijde van de Bijbel vinden we voorbeelden. Van hoe die angst het leven van mensen vergalt en verpest. Abram, Jakob, Mozes, ze maakten ongelukkige keuzes omdat ze zich soms lieten leiden door angst. Dat is ook het patroon in het oerverhaal van het Oude Testament. Dat vertelt hoe de machtige God een klein volkje van slaven bevrijdt uit Egypte en leidde dwars door de Rode Zee. En toen zij eenmaal aan de overkant waren, kon de lange arm van de koning van Egypte hen niet meer achterhalen. En wilde God zo graag dat zijn mensen niet lang slaven zouden zijn. Hij was zijn plan om ze in vrijheid te laten leven in het beloofde land. Maar tijdens de reis door de woestijn werd duidelijk dat dit Hebreeuwse volk uiterlijk dan wel vrij was. Maar dat ze van binnen nog de mentaliteit hadden van een slaaf. Ze schrokken terug voor de vrijheid, konden die niet goed aan en verlangden al snel weer terug naar het slavenbestaan in Egypte.

En heel de Bijbel door in heel verschillende tijden zie je keer op keer dat patroon terug bij mensen. Zo op het oog lijken we vrij, maar van binnen zit er slaafse vrees. Zelfs bij de leerlingen van Jezus die zozeer door Hem waren gevormd zie je dat patroon steeds opnieuw opduiken. En ook in de eerste christengemeenten steekt die angst steeds opnieuw de kop op. ‘Des morgens kruipt een beest van vrees door aderen en ingewanden. En maakt mij weder tot een ander dan die ik slapend ben geweest.’

En dan schrijft Paulus in zijn brief aan christenen in Rome ‘U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, U hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, En om Hem te kunnen aanroepen met Abba Vader.’ Wat opvalt is dat het een woord is van ontspanning. Dat eenvoudig benoemt zoals het is. U hebt de Geest ontvangen. En daarom ben je een kind van God. En als christen mogen we leren leven vanuit dit geschenk. U hebt de Geest ontvangen.

Toch is het kennelijk dus nog niet zo niet eenvoudig om vanuit dat geschenk te leven. De slaaf is helaas nooit ver weg. Iedere keer als ik zeg: ik ben bang dat… dan laat ik de angst weer binnensijpelen in mijn denken, mijn voelen, mijn willen. Ik wil zo graag aan de verwachtingen voldoen. Ik ben zo bang om afgewezen te worden. Dat ik aan de ander macht geef over mijn leven. Wat zou hij van me vinden? Wat zou zij over mij zeggen? Ik kom daar soms niet meer los van. En ben altijd maar bezig om mezelf aan te passen. Me in duizend bochten te wringen en gedraag me zomaar weer als een slaaf.

En daar legt dit woord de vinger bij. We gedragen ons te vaak als angstige slaven. En er hangt in ons bestaan vaak een geest van slavernij. Van hollen en dragen, van jagen en jachten. Van jezelf bewijzen en waarmaken. Van druk die je de ander en jezelf oplegt. En we verliezen soms compleet uit het oog Dat dat zo helemaal niet hoeft. Dat er in mijn leven een heel andere wind zou kunnen en mogen waaien. En wat die wind dan mee zou brengen? Je zou kunnen zeggen: vrijheid.. Dat is wat we op verschillende plaatsen lezen in het NT. In 2 Korintiërs 3 staat: Waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid  En in Galaten 5 lezen we: ‘Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven. Houd dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.’

Maar die andere Geest, die brengt niet alleen vrijheid mee. Romeinen 8 steekt nog wat dieper af. Daar staat de slaaf tegenover het kind. En tegenover een leven uit angst staat een leven vanuit liefde en intimiteit. ‘U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, U hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, En om Hem te kunnen aanroepen met Abba Vader.’ Dat hoorden we vanmorgen ook in de leefregel. ‘De liefde laat geen ruimte voor angst. Volmaakte liefde sluit angst uit. In iemand die angst kent is de liefde geen werkelijkheid geworden. Wij hebben lief omdat God ons eerst heeft liefgehad.’ God houdt onvoorwaardelijk van ons zoals een vader houdt van zijn kind. En hoe meer die onvoorwaardelijke liefde van onze hemelse vader voor ons werkelijkheid is, des te minder ruimte is er voor slaafse vrees, voor angst. De liefde drijft alle angst naar buiten.

Henri Nouwen zegt in één van zijn boekjes dat heel veel mensen wonen en leven in het huis van de angst. En dat de Bijbel ons uitnodigt om midden in een angstaanjagende wereld te komen wonen in het huis van de liefde. Om thuis te komen en thuis te raken bij God. Thuis, dat is de plek waar je vrij mag zijn. Waar je kunt ontspannen, lachen, huilen, Uitslapen, spelen, genieten en samen zijn. Waar je veilig bent en niet op scherp hoeft te staan. Waar je papa kunt zeggen en je je gekend weet. Waar je mag zijn die je bent en dat dan dan genoeg is. Waar mensen blij zijn als je er bent. Waar er geen oordeel is. Zo begint dit prachtige Romeinen 8 ook; Dus wie in Christus Jezus zijn, worden niet meer veroordeeld. Veel mensen hebben misschien wel een adres maar zijn eigenlijk nooit echt thuis. Omdat de liefde van God nooit werkelijkheid is geworden voor ze. Ze de stem van de liefde nog niet echt hebben gehoord. De stem die zegt: weet je dat ik van je houd lang voordat jij van iemand kunt houden of anderen van jou kunnen houden? Weet je dat ik je volledig aanvaard,  lang voordat jij iemand kunt aanvaarden of anderen jou kunnen aanvaarden? Dat jij bij mij helemaal veilig bent lang voordat jij iemand veiligheid kunt bieden Of bij anderen veiligheid vindt? En als ik jouw mijn kind noem, Durf jij mij dan papa te noemen?

Wij zeggen vaak tegen elkaar: wees jij maar fijn jezelf. Maar of ik daar nu echt veel mee opschiet? Wat van mezelf ben ik ook niet meer dan een burgermannetje. En moet dan dan zichzelf zijn? Is mijn bestaan daar niet te gebroken voor, te onzuiver, te angstig? Mijn basis, mijn houvast, mijn identiteit ligt niet in mezelf. Ik vind mijn vreugde, mijn vrede, mijn vertrouwen buiten mezelf. Ik ben niet van mezelf. Ik ben van God. En die God neemt mij aan als zijn eigen kind.

God weet hoezeer we kunnen worstelen met dat beest van vrees dat iedere morgen opnieuw mijn aderen en ingewanden binnenkruipt. God weet hoezeer dat slaafse, dat bange in onze natuur is ingevreten en ons in het bloed zit. En precies daarin komt Hij ons tegemoet door niet alleen zijn Zoon te geven voor ons. Maar ook Zijn Geest te schenken in ons. En die Geest wil niets liever dan in onze aderen en ingewanden in ons bloed en in ons hart komen wonen. En van binnenuit het beest van vrees genadig te verdrijven. En slaafse vrees om te vormen tot kinderlijk vertrouwen. Dat God niet langer ziet als een slavendrijver. Maar als mijn hemelse Vader, mijn Abba, mijn papa. En hoe meer ik zelf thuis raak in het huis van de liefde. Hoe meer ik dar zelf in leef en beweeg. Des te meer ik ook voor de ander dit huis van liefde mag zijn. Een veilige zone mag scheppen in mijn huwelijk en gezin, in mijn vriendschappen in wie ik ben voor de ander. Een veilige plek waar niet het oordeel, de afwijzing of de uitsluiting regeert maar er een sfeer is van verwelkoming, aanvaarding, omhelzing. Waar liefde het wint van de angst en waar ik mezelf en de ander niet altijd maar weer opjaag als een slaaf maar we elkaar steeds meer leren zien als broers en zussen en kinderen van God. Amen.

 

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie