Ga in Gods kracht (1 Petrus 4, 10-11)

(1 Petrus 4, 7-11)

 Johan en Freek zijn van jongs af bevriend. Als jongens gaan ze samen naar de school met de bijbel. Na hun middelbare schooltijd scheiden hun wegen. Johan kiest voor theologie en wordt dominee. Een beroemd spreker is hij nooit geworden. Wel heeft hij met hart en ziel God en de mensen liefgehad en gediend vanuit en met het evangelie. Freek wordt toegelaten tot de toneelschool. Hij groeit uit tot een zeer bekende, geliefde acteur. Gewend aan aandacht, het podium, de spotlights.

Vele jaren later zijn Johan en Freek beiden aan het einde van hun loopbaan gekomen. Johan markeert dat met een eenvoudige, afscheidsdienst. Freek wordt een groots afscheidsdiner aangeboden in het luxe vijf-sterren Amstelhotel in hartje Amsterdam. En Freek nodigt hiervoor ook zijn jeugdvriend Johan uit. Het is even wennen voor Johan tussen al die BN-ers. Tegen het einde van het diner vragen vrienden of Freek voor zijn gasten iets wil voordragen. Een tekst naar eigen keuze. Freek stemt toe onder voorwaarde dat ook zijn jeugdvriend Johan dat doet.

Op zijn eigen onnavolgbare wijze draagt de begaafde Freek met zijn prachtige stem en fantastische dictie ee oude psalm voor de hij als jongen al leerde. Een psalm van David. De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij neerliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren… Als hij klaar is volgt een daverend applaus.

En dan is het de beurt aan Johan. Hij haalt uit zijn binnenzak een oud zakbijbeltje tevoorschijn. En leest diezelfde psalm 23. Eenvoudig, zoals hij dat zo vaak heeft gedaan bij een stervende. En als die laatste woorden klinken: en ik zal in het huis des Heeren blijven in lengte van dagen is er geen applaus. En valt er over het hele gezelschap een wonderlijke, ongewone stilte. Dan staat Freek langzaam op, slikt de brok in zijn keel weg, en zegt: weten jullie wat het verschil is? Ik ken de psalm, maar Johan kent de Herder.

Er gaat van Johan in al zijn eenvoud kennelijk een eigen wonderlijke kracht uit. Het doet denken aan wat we lezen over Jezus: de mensen waren diep onder de indruk van zijn onderricht, want hij sprak hen toe als iemand met gezag, en niet zoals hun Schriftgeleerden. Ook op een ander momenten lezen we dat over Jezus en over zijn leerlingen: er ging iets van hen uit.

Dat is waar Petrus op doelt in zijn aansporing. Voert u het woord, laat dan Gods woorden doorklinken in wat u zegt. Helpt u anderen, doe dat dan vanuit de kracht die God u geeft. Waar hij hier de vinger bij legt is: wat gaat er van ons, van mij uit? Wat straal ik uit? Wat breng ik met me mee als ik ergens binnenstap? Draait het vooral om wat ik weet, denk, vindt en voel? Of licht in mij iets op van wie God is? Wie Jezus is?

Misschien is onze eerste gedachte hierbij: Ja, ik zou ook wel wat meer kracht, meer overtuiging hebben. We denken dan vaak dat onze zwakte het probleem is. Maar wie scherper kijkt zal zien dat niet onze zwakte maar juist onze eigen kracht ons in de weg zit. Wij putten gemakkelijk uit onze eigen natuurlijke vermogens. We zetten alles wat we zelf van nature in huis hebben in en denken dat we op die manier God een dienst bewijzen. En hebben niet in de gaten dat we op deze manier God alleen maar geweldig door de voeten lopen.

Een beetje cru gezegd: God is niet op zoek naar vrijwilligers. God is niet op zoek naar mensen die een klusje voor hem doen, hem aan handje helpen. En zo toch eigenlijk vooral hun eigen dingetje doen. God zoekt mensen in wie Hij wonen kan en door wie hij zijn werk kan gaan doen. Die hij zo kan vormen, kneden, bewonen en bezielen dat in wie wij zijn iets zichtbaar wordt van wie God is.

God heeft er vaak een flinke dobber aan om ons te vormen van overijverige vrijwilligers tot leerlingen, volgelingen, discipelen, apostelen. Bij heel wat prominente Bijbel-figuren zien we dat vormingsproces van eigen kracht naar Gods kracht. Jakob leeft een groot deel van zijn leven vanuit zijn eigen instincten, driften en drijfveren en laat zo een spoor van frustratie achter. Tot bij Pniël die taaie oude mens in hem wordt blootgelegd en gebroken. En hij een nieuwe, andere levenshouding ontvangt en ontwikkelt. Pas dan kan God hem gebruiken om anderen te zegenen.

Mozes is ooit een te zelfbewuste prins die zijn eigen ding wil doen maar alleen maar brokken maakt. God vormt hem in een jarenlang proces om tot een man met het hart van een herder. Tot een vriend van God en zo ook tot geestelijke vader van een hele generatie.

En Petrus zelf, wiens brief we vanmorgen lezen, draagt zijn leven lang twee namen: Simon Petrus. Simon staat voor zijn eigen kracht en visie. Petrus voor een nieuwe andere levensgang. En de oude Simon moet eerst onderuit gaan en gebroken worden voordat de Petrus in hem pas echt de ruimte zal krijgen en Petrus een dragend iemand zou worden in de eerste generatie christenen. En juist hij is het die ons vanmorgen aanspoort: Voert u het woord, laat dan Gods woorden doorklinken in wat u zegt. Helpt u anderen, doe dat dan vanuit de kracht die God u geeft.

Het punt is dat we wie we zijn en wat we kennen en kunnen iedere keer opnieuw brengen in onder de gehoorzaamheid van Christus. Dat we ons in de kern van wie we zijn in onze diepste drijfveren laten bewonen en besturen door de Geest van God die juist in die diepste kern van ons zelf wil reinigen, zuiveren, verlichten, leiden, sturen en bekrachtigen. Zodat we steeds scherper en helderder zien wat de goede werken die God zelf voorbereid heeft en waar wij met vrucht in mogen gaan wandelen. En wat we allemaal links mogen laten liggen omdat het niet onze taak niet onze specifieke roeping is.

Ik las over iemand die best jong ouderling werd en dat op een bijzondere manier invulling gaf. Het was nogal een drukke, actieve gemeente maar deze broeder was niet altijd overal bij. Hij bracht veel tijd door in de stilte met God. Had zelfs tijd voor een hobby: schilderen. Maar als hij eens ergens wel bij was en iets bijdroeg was dat eigenlijk altijd van grote waarde en betekenis. In de loop van zijn ambtsperiode bracht hij heel wat mensen dichterbij God, hielp hij geestelijk verder. Niet omdat hij het drukst was of het meest actief. Maar omdat alles wat hij deed werd gevoed en gestuurd vanuit zijn wandel en vriendschap met God.

Maar hoe ziet dat er nu concreet en praktisch uit? Leven uit Gods kracht in plaats van uit eigen kracht? Ik heb op dit punt veel geleerd van de Chinese kerkleider Watchman Nee, met name in zijn klassieke boekHet normale christelijke leven’. Heel radicaal en scherp laat hij zien dat het aankomt op het vertrouwen dat de Heilige Geest in mij zal uitwerken en volbrengen wat ik zelf niet kan.

Wanneer ik driftig van aard ben of onreine gedachten heb, een scherpe tong of een kritische geest, zegt Watchman Nee, dan doe ik geen pogingen meer om mijzelf te veranderen. Maar dan reken ik mijzelf dood voor die dingen in Christus en stel mijn vertrouwen op de Heilige Geest om de reinheid, de nederigheid en de zachtmoedigheid in mij te bewerken die ik zozeer nodig heb

Watchman Nee leeft en denkt helemaal uit Gal. 2,20. Ik leef, (dat is) niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. Hij was eens als loge in huis bij een christelijk echtpaar. En zij vroegen hem: wil je voor ons bidden? Zeker, waar zal ik dan voor bidden, zei Watchman Nee. Nou, het gaat met ons helemaal niet goed. In ons huwelijk hebben we vaak een kort lontje en ook in ons gezin met onze kinderen zijn er vaak irritaties, spanningen en gedoe. Dus bid maar voor geduld, wijsheid, liefde. Dat kan ik niet doen zei Watchman Nee. Geduld, liefde, wijsheid, bewogenheid zijn geen los verkrijgbare gaven. God geeft ons ten diepste maar één gave: Jezus. Die ons van God geworden is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing. (1 Korintiërs 1,30) Hoe meer wij ons bewust worden van ons eigen tekort en hoe eerder wij stoppen om uit eigen kracht te blijven proberen het nieuwe leven tot stand te brengen, hoe meer ruimte er is voor Hem om in ons uit te werken, uit te leven wat ons ontbreekt. Gaan in Gods kracht betekent dat je steeds opnieuw zegt: Heer, van mijzelf kan ik U niet dienen zoals U verdient. Daarom probeer het ook niet. Ik vertrouw volledig op U. Dat U in mij Christus doet wonen en leven door de Heilige Geest.

Het punt van deze preek is dit. Jezus vraagt van ons niet om christelijk te gaan doen. Van christelijk doen wordt je vroeg of laat doodmoe. En het is uiteindelijk niet vruchtbaar. Jezus vraagt ons om christen te zijn. Dat is: om Christus in ons te laten wonen. Wie in mij blijft en ik in hem, die draagt vrucht, blijvende vrucht. Niet alleen de psalm kennen maar ook de herder!! Dat haalt de kramp er af, dat geeft een diepe rust en ontspanning.

Zo wordt werkelijkheid waar Petrus ons toe aanspoort: Laat ieder de anderen dienen met de genadegave zoals hij die ontvangen heeft, als goede beheerders van de veelsoortige genade van God. In de oude Statenvertaling staat het er nog iets mooier: als goede uitdelers van de menigerlei genade van God. Je kunt en je hoeft alleen maar uit te delen van de genade zoals je die eerst zelf hebt ontvangen. En hoe meer je aan de voeten van de Heer bent om met Hem om te gaan en van Hem te ontvangen, hoe meer je ook uit te delen hebt. Augustinus had dat goed begrepen toen hij bad: Geef me steeds wat U vraagt Heer en vraag me dan maar wat U maar wilt.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie