Gebed als reukwerk (psalm 141,2)

(Exodus 30:1-10; Psalm 141; Openbaring 8:1-5 – luisterlied: Laat het huis gevuld zijn met wierook van aanbidding)

Laat mijn gebed als reukwerk voor Uw aangezicht staan. Deze psalmist denkt daarbij aan het reukofferaltaar in de tabernakel of tempel. Zelf is hij er ver bij vandaan. Geen priester te bekennen, geen altaar te zien. Om zich heen de zuigkracht van een leven zonder God. Je proeft in deze psalm de strijd, de weerstand, de aanvechting. En vanuit dat gevecht steekt zijn lege handen in de lucht en bidt dan: Laat mijn gebed als reukwerk voor Uw aangezicht staan, laat mijn opgeheven handen als het avondoffer zijn.

Lees meer…

Engelen en demonen

(2 Koningen 6:8-17; Efeziërs 6:10-20 – luisterlied: o kerk sta op

Even een paar opmerkingen vooraf.:

Als het gaat om goede en kwade machten is een gezonde nuchterheid op zijn plaats. Overschatting van kwade machten leidt al snel tot middeleeuws bijgeloof, gekte en schichtigheid. Een andere valkuil is onderschatting. Wie de macht van de boze negeert vanuit verlicht, modern westers denken gaat voorbij aan gestalten van het kwaad die we het klein en groot kunnen waarnemen en die niet alleen menselijk kunnen worden verklaart. Ik zou vanavond willen pleiten voor een waakzame, realistische houding waarin je de boze niet onderschat, zijn methoden leert herkennen en je focus altijd houdt op Christus die alle machten en krachten heeft overwonnen en tegen wiens naam geen boze bestand is.   

Lees meer…

Wees barmhartig (Lukas 6,36)

(Exodus 22:20-30; 23:10-12; Lukas 6,27-38 – luisterliederen: Heer, raak mijn hart aan – Ik wens je, Trinity)

Ik zal er zijn. Dat is de naam waarmee God zich bekend maakt aan Mozes. Toen hij hem riep bij de brandende braamstruik. En God heeft deze naam keer op keer waargemaakt. Bij de uittocht uit Egypte en de doortocht door de Schelfzee. In dag in dag uit in honger en dorst, in gevechten met belagers. Maar er zit in deze naam een dubbele bodem. ‘Ik zal er zijn’ heeft niet alleen betrekking op wie God is. ‘Ik zal er zijn’ heeft ook iets in zich van een uitnodiging, een opdracht voor de Israëlieten om er op hun beurt te zijn. Voor God, elkaar, de vreemdeling en de hele schepping.

Lees meer…

Schuilen bij God (psalm 91:1-2)

Psalm 91:1-2 – luisterlied: Mag ik dan bij jou, Claudia de Breij

Thuiskomen is een fijne ervaring. Je steekt de sleutel in het slot en gaat je huis binnen. Een omhelzing, een kus en je bent weer thuis. Dit is jouw plek. Je trekt de deur achter je dicht en daarmee sluit je de wereld even buiten. Alles wat je energie en aandacht heeft gekost. Wat je soms ook bezeerde, pijn deed. Je laat het achter je, want nu ben je thuis. De plek waar je thuis komt, thuis bent heeft wel iets van een schuilplaats. Joop en Rietje Moret hebben hun huis hier om de hoek aan de Spoorstraat die naam gegeven: Schuilplaats in de Wildernis. Frans Halsema en Jenny Arean zongen ooit een mooi liedje: Vluchten kan niet meer, ‘k zou niet weten hoe – vluchten kan niet meer, ‘k zou niet weten waar naar toe  – schuilen kan nog wel, heel dicht bij elkaar.

Lees meer…

De Vredevorst (Jesaja 9,5; Lukas 2,14)

(Jesaja 9:1-6; Lukas 2,8-14 – Filmpje Kerstbestand 1914)

Het is december 1914. In Europa woedt de Eerst Wereldoorlog. Aan een van de frontlinies ergens in Frankrijk liggen Duitse en Engelse soldaten tegenover elkaar in de loopgraven. Het loopt tegen de feestdagen, de temperatuur daalt tot beneden het vriespunt. Het barre winterweer maakt gevechtshandelingen praktisch onmogelijk.

Lees meer…

Gods tent onder de mensen (Joh.1,14)

(Exodus 33:1-7; Exodus 40:34-38 en Joh. 1,14-18 – luisterlied: Esther Tims, Ik zal er zijn)

‘Het woord is vlees geworden en heeft onder ons zijn tent opgeslagen.’ Dat is wat Johannes betreft de komst van Christus in één zin. ‘Het woord is vlees geworden en heeft onder ons zijn tent opgeslagen.’ Letterlijk staat er: heeft onder ons getabernakeld. Door het juist zo te zeggen neemt Johannes ons mee naar vroeger tijden, naar de periode dat de Israëlieten 40 lange jaren als tentbewoners door de woestijn zwierven.

Lees meer…

Geen andere goden (Exodus 20,3)

(Exodus 19: 1-6; Exodus 20: 1-3; Jesaja 44: 6-8; Filippenzen 3: 7-17)

Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypte uit de slavernij heeft bevrijd. Zo beginnen de beroemde tien geboden. De Israëlieten zijn inmiddels twee maanden weg uit Egypte. Ze zijn wonderlijk geleid door de Schelfzee. Er is brood uit de hemel gevallen, water uit de rots gesprongen. Ze hebben een overwinning geboekt op Amalek. En nu hebben zij hun kamp opgeslagen bij de Sinai. Hier wil de Heer met hen een verbond sluiten. Waarin wordt vastgelegd wie Hij wil zijn voor hen. En wat dat betekent voor hun levensstijl.

Lees meer…

Geestelijke strijd (Exodus 17)

(Exodus 17: 8-16; 1 Petrus 5:8-11 – luisterlied: O Kerk sta op)

Toen kwam Amalek.. Zo begint het verslag van de strijd bij Rafidim. De Amalekieten  hebben in het OT een speciale plaats. Ze worden beschouwd als nakomelingen van Ezau. Ezau, u weet, de tweelingbroer van Jakob die heel bewust afstand deed van de zegen van God en een hele eigen weg is gegaan, los van God. Zijn nakomelingen zijn dus deze Amalekieten. Zij blijken meer te zijn dan zomaar een stam, een volkje tussen vele andere volken.

Lees meer…

Water uit de Rots (Exodus 17)

(lezen: Exodus 17:1-7; 1 Korintiërs 10:1-13; luisterlied: Faithful One – Brian Doerksen)

 De Israëlieten hebben de bevrijding uit Egypte nog maar net achter zich liggen. Het daverende bevrijdingsfeest dat zij vierden op de oevers van de Rode Zee klinkt nog na. En met opgewekte tred en een goed humeur trekt de karavaan de woestijn in. Maar de Israëlieten staan wat geloof betreft nog in hun kinderschoenen. Ze zijn zich nog nauwelijks bewust van de lengte van de reis en van de ontberingen die zij zullen moeten doormaken. En dat woestijnleven valt nog niet meteen mee.

Lees meer…